Tijdens een slag maakt de stok een boogbeweging alvorens het doel te bereiken.



Tijdens een slag maakt de stok een boogbeweging alvorens het doel te bereiken.



We kunnen oefenen voor sport en spel….maar ook voor zelfverdediging

Slagen met een stok is niet zo simpel


Ontstaan van de moderne stokscherm-systemen: De meeste gecodificeerde La Canne methoden ontstonden tijdens de late 19e eeuw binnen de bourgeoisie-klasse, een periode van intense martiale innovatie en systematisering.
Kritieke erkenning: “Deze methoden zijn gefundeerd op de ervaringen van vroegere beoefenaars en maitres d’armes” – Hun wijsheid vormt het onwrikbare fundament waarop innovatie mogelijk wordt.
Evolutionaire visie: “Het perfectioneren van de kunst van het stokschermen” – niet als eindbestemming, maar als continue reis van verfijning, innovatie en diepgaande studie.
De hybride methode vertegenwoordigt geen vervanging van traditionele systemen, maar een evolutionaire synthese die de wijsheid van het verleden combineert met moderne inzichten, resulterend in een comprehensievere, adaptievere en effectievere benadering van La Canne als levende krijgskunst.
De hybride benadering erkent dat geen enkele methode de absolute waarheid bevat, maar dat elke traditie waardevolle elementen bijdraagt tot de totale kunstform. Door selectieve synthese kunnen we:
Hierbij een aantal bladzijden uit ons “La Canne” boek voor beginners en gevorderden.




Volgende blz. La Canne 01 / La Canne 02 / La Canne – De Boogbeweging
Opmerking over terminologie: In deze tekst wordt bewust de Engelse term “martial arts” gebruikt in plaats van de gangbare Nederlandse vertaling “vechtsporten”. Deze keuze is gemaakt omdat “vechtsporten” de essentie van het concept niet volledig dekt. Zoals in deze tekst wordt uitgelegd, omvatten martial arts een diepgaande combinatie van technische, spirituele en karaktervormende aspecten die verder reiken dan alleen het sportieve of recreatieve element. De term “martial arts” benadrukt deze bredere culturele en educatieve context, waarin de ontwikkeling van “kokoro” (geest/ziel) even belangrijk is als de beheersing van “waza” (techniek).
Deze tekst is gebaseerd op een essai van Kenji Tomiki: ‘De rol van martial arts op school – een nieuwe vorm van disciplinegerichte lichamelijke opvoeding.’ (Uit ‘New Physical Education,’ december 1967)
Inleiding tot martial arts in het onderwijs
Japanse martial arts (budō) vormen een waardevol cultureel erfgoed met een lange historische traditie. Gedurende hun ontwikkeling zijn deze kunsten een onlosmakelijke combinatie geweest van spirituele en technische aspecten. Het karakter voor “bu” (martial) is van oudsher een ideogram dat “de hellebaard stoppen” betekent, wat suggereert dat “martial arts” instrumenten waren om chaos te stoppen en orde te herstellen, omwille van “wa” (harmonie).
Na de Tweede Wereldoorlog onderging het Japanse onderwijs ingrijpende hervormingen, ook op het gebied van lichamelijke opvoeding. De nieuwe nadruk op lichamelijke opvoeding, die zelfs een verplicht vak werd op universiteiten, was een baanbrekende ontwikkeling in de onderwijsgeschiedenis van Japan.
Twee benaderingen van lichamelijke opvoeding
Recreatiegerichte lichamelijke opvoeding (Goraku-shugi): Deze benadering legt de nadruk op plezier, ontspanning en entertainment. Sport wordt in de eerste plaats gezien als een middel om te ontspannen en de nadruk ligt op fysieke activiteiten als vorm van recreatie .
Disciplinegerichte lichamelijke opvoeding (Tanren-shugi): Deze benadering hecht waarde aan rigoureuze training, zelfdiscipline en karakterontwikkeling door middel van fysieke uitdagingen. De nadruk ligt niet alleen op technische vaardigheid in “waza” (techniek), maar ook op de ontwikkeling van “kokoro” (geest/ziel) .
In de geavanceerde culturele samenleving, waar menselijke arbeid steeds meer gemechaniseerd en gespecialiseerd wordt, speelt lichamelijke opvoeding een cruciale rol bij het voorkomen van atrofie van de fysiologische functies van lichaam en geest. Hoewel recreatiegerichte lichamelijke opvoeding belangrijk is, vormt disciplinegerichte lichamelijke opvoeding een ander essentieel aspect .
De evolutie van “martial arts”
Traditionele Japanse “martial arts” waren oorspronkelijk technieken voor aanval en verdediging in ‘echte gevechtssituaties’. Ze ontwikkelden zich samen met de samoeraiklasse en bestonden ongeveer 700 jaar, van het einde van de Heian-periode tot de Meiji-restauratie.
Deze periode kan grofweg in twee delen worden verdeeld:
De technieken van “martial arts” kunnen worden onderverdeeld in drie grote categorieën:
Van oude tot moderne “martial arts”
In 1882 richtte Jigoro Kano Kodokan Judo op en veranderde hij de naam van traditionele jujutsu in judo. Hij stelde als leidende principes ‘maximaal efficiënt gebruik van energie’ en ‘wederzijdse welvaart’ vast, in een poging om te breken met de beperkte idealen van Bushido.
De modernisering van traditionele “martial arts” omvat:
Een nieuwe kijk op “winnen en verliezen” in “martial arts”
In de traditionele opvatting van winnen en verliezen (shōbu-kan) werd absoluut belang gehecht aan “winnen”, waarbij “verliezen” dood en vernietiging betekende. Deze mentaliteit van ‘winnen ten koste van alles’ leerde dat de schande van een nederlaag moest worden weggewassen.
In de moderne “martial arts” wordt ‘winnen’ echter als een secundair middel beschouwd, waarbij de primaire waarde ligt in ‘wederzijdse welvaart’ en wederzijdse verbetering in vrede. Dit vertegenwoordigt de ware “martial art” van ‘harmonie’.
De rol van “martial arts” op school
School-martial arts dienen als model voor een nieuwe, op discipline gerichte lichamelijke opvoeding. In tegenstelling tot vroeger mogen “martial arts” niet in tegenstelling staan tot andere sporten. Ze moeten zich integreren in de sport, maar tegelijkertijd hun traditionele sterke punten blijven benutten.
Er kunnen vier vereisten voor een op discipline gerichte lichamelijke opvoeding worden onderscheiden:
Echte disciplinegerichte opvoeding moet in de eerste plaats worden gedreven door de spontaniteit en passie van de leerling zelf, en niet door harde training die van buitenaf wordt opgelegd.
De kracht van herhaling
Disciplinegerichte opvoeding is, eenvoudig gezegd, “herhaling” (kurikaesu). Terwijl de wereld van “kennis” neigt naar uiterlijke expansie, zoekt de wereld van “geloof” kracht en diepgang door zich op één ding te concentreren en daar steeds verder in te graven.
Door doordachte herhaling – goed nadenken en dan handelen, een cyclus van vallen en opstaan – worden zowel kennis als handelen omgezet in iets diepers:
Karaktervorming door “martial arts”
Lichamelijke opvoeding speelt niet alleen een belangrijke rol bij het opbouwen van gezondheid en fysieke kracht, maar ook bij karaktervorming, en disciplinegerichte lichamelijke opvoeding is bijzonder belangrijk voor het ontwikkelen van een sterk karakter.
Iedereen heeft verschillende tegenstrijdigheden en conflicten in zijn hoofd. Deze moeten worden beheerst door de kracht van het ego en met kracht in de gewenste richting worden geduwd. Vanuit dit standpunt kan het tegenovergestelde – degenen die zichzelf niet kunnen beheersen – worden beschouwd als geestelijk ziek.
De toekomst van “martial art”onderwijs
Vandaag de dag moeten “martial arts” zich ontwikkelen van praktische “martial arts” voor nationale defensie tot “martial arts” als nationale lichamelijke opvoedingscultuur. In plaats van “harmonie” te realiseren door middel van dwang, worden ze gepresenteerd als een uitstekende lichamelijke opvoedingscultuur voor liefhebbers over de hele wereld, die mensen over etnische en nationale grenzen heen met elkaar verbindt.
Zelfs bij dezelfde sporten kan, afhankelijk van de ‘houding’ (taido) waarmee ze worden beoefend, sprake zijn van recreatieve lichamelijke opvoeding of disciplinegerichte lichamelijke opvoeding. Er zijn educatieve redenen waarom naast recreatieve benaderingen ook een nieuwe disciplinegerichte benadering wordt bepleit voor de toekomstige richting van lichamelijke opvoeding.
Conclusie
De modernisering van “martial arts” vertegenwoordigt een evenwicht tussen het behoud van waardevolle tradities en aanpassing aan hedendaagse onderwijswaarden. Door de nadruk te leggen op wederzijdse ontwikkeling in plaats van op koste wat kost winnen, en door de disciplinegerichte benadering te benadrukken die het karakter vormt door middel van rigoureuze training, kunnen “martial arts” op school een belangrijke bijdrage leveren aan de lichamelijke opvoeding in de moderne tijd.
Het einde van de 19e eeuw was een bijzonder rijke periode voor de Europese filosofie, gekenmerkt door verschillende stromingen die reageerden op de Verlichting, het Duitse idealisme en de toenemende invloed van wetenschap en industrialisatie.
La Canne Française weerspiegelt de principes van de Verlichting die het Europese denken in de 18e en vroege 19e eeuw domineerden:
De ontwikkeling van La Canne loopt parallel met de opkomst van republikeinse idealen en democratische bewegingen in heel Europa:
Het positivisme van Auguste Comte en het Europese geloof in vooruitgang komen tot uiting in de benadering van La Canne:
Ondanks zijn rationalistische elementen bevat La Canne ook aspecten van de romantische beweging:
De ontwikkeling van La Canne viel samen met de opkomst van de Europese bourgeoisie en het stadsleven:
La Canne sluit ook aan bij bredere Europese militaire tradities:
Ten slotte weerspiegelt La Canne de Europese reacties op de industriële moderniteit:
Zelfverdediging aspect
Democratisering van zelfverdediging
Evenwicht tussen kracht en techniek
Geest-Lichaam ontwikkeling
Ethische terughoudendheid
Harmonie van beweging
Gecultiveerde geestelijke aanwezigheid
Culturele aanwezigheid
In de kern vertegenwoordigt La Canne een praktische filosofie van zelfredzaamheid en zelfbescherming. Charlemont benadrukt in zijn inleiding dat “de stok en het Franse boksen twee oefeningen zijn die elkaar aanvullen en samen onderwezen zouden moeten worden. Ze zijn van onmiddellijk en onbetwistbaar nut.” Dit weerspiegelt een filosofische positie die praktische kennis waardeert die direct kan worden toegepast in alledaagse situaties.
In tegenstelling tot aristocratische wapens zoals het zwaard, vertegenwoordigt La Canne een democratisering van zelfverdediging. Charlemont merkt op dat “net zoals men altijd zijn vuisten en voeten tot zijn beschikking heeft, men bijna altijd een stok bij zich heeft.” Deze filosofie maakt zelfbescherming toegankelijk voor gewone burgers in plaats van dat het voorbehouden is aan de adel of het leger.
La Canne belichaamt een filosofisch evenwicht tussen kracht en techniek. Charlemont bekritiseert de benaderingen van zijn voorgangers die te veel vertrouwden op alleen polskracht: “een stok die niet snijdt of prikt… kan alleen serieuze resultaten opleveren door zeer hard te slaan, iets wat onmogelijk te bereiken is met alleen de buigingen en strekkingen van de pols.” In plaats daarvan pleit hij voor het gebruik van het hele lichaam in harmonie: “de schouder, de arm, de onderarm, de pols en de hand!” Dit vertegenwoordigt een holistische filosofie van geïntegreerde beweging.
De oefenfilosofie strekt zich verder uit dan nut in gevecht tot persoonlijke ontwikkeling. Zoals opgemerkt in Larribeau’s tekst: “We hebben jonge, verwelkte en verkommerde mannen gezien die volledig hervormd werden door deze krachtige oefening. We hebben degenen met een timide karakter en altijd lafhartig een moedige reserve zien krijgen, een dappere wijsheid.” Dit weerspiegelt een geloof in de transformerende kracht van martiale beoefening op zowel fysieke als psychologische dimensies.
Ondanks zijn effectiviteit bevat La Canne een impliciete filosofie van terughoudendheid. De praktijk benadrukt gecontroleerde toepassing van kracht in plaats van dodelijke intentie. Humé en Renkin’s tekst over Canne Royale schetst etiquette die onnodige agressie ontmoedigt: “Het is ongepast om te doen alsof men zijn tegenstander heeft geraakt… Het bewijst evenzeer een gebrek aan opvoeding om een ontvangen slag te ontkennen of om geërgerd te zijn na geraakt te zijn.”
De vloeiende technieken—vooral de moulinet bewegingen—weerspiegelen een filosofie van continue, circulaire actie in plaats van rigide, lineaire kracht. Dit principe van harmonische, ononderbroken beweging is mogelijk beïnvloed door bredere Europese filosofische concepten over de aard van energie en kracht tijdens de 19e eeuw.
Charlemont en andere meesters benadrukken de ontwikkeling van mentale kwaliteiten naast fysieke techniek. In Larribeau’s advies aan leerlingen, instrueert hij hen om “een koel hoofd te houden, alle angst opzij te zetten, een vast vertrouwen te houden” en waarschuwt hij dat “geïntimideerd zijn en zekerheid verliezen tegenover een tegenstander betekent dat men voor het gevaar wegloopt.” Deze cultivering van rustige bewustzijn onder druk vertegenwoordigt een filosofische benadering van gevechtspsychologie.
La Canne vertegenwoordigt een filosofische brug tussen traditionele vechtkunsten en modern burgerleven. Terwijl de verstedelijking vorderde in het 19e-eeuwse Frankrijk, werd de wandelstok zowel een modieus accessoire als een praktisch instrument voor zelfverdediging, waardoor martiale vaardigheid binnen de beleefde samenleving kon bestaan in plaats van afgezonderd te zijn in militaire contexten.
Deze integratie van martiale effectiviteit met sociale welvoeglijkheid weerspiegelt een uniek Franse filosofische benadering om traditie met moderniteit, en functie met esthetiek te verzoenen.
Het stokschermen in Europa aan het einde van de 19e eeuw werd gekenmerkt door verschillende methoden, elk met eigen karakteristieken en toepassingen:
Deze periode kenmerkte zich door toenemende uitwisseling van technieken tussen verschillende landen en methoden, deels door verbeterde communicatie en reismogelijkheden. Stokschermen werd zowel beoefend als een sport, een militaire vaardigheid, een zelfverdedigingskunst voor burgers en als een fysieke discipline voor lichamelijke ontwikkeling.
Het woord “wandelstok” en het Franse “la canne” hebben een interessante relatie in de context van stokvechtkunsten:
“La canne” betekent letterlijk “riet” of “stok” in het Frans, maar verwijst specifiek naar de vechtkunst die met een wandelstok of stok wordt beoefend. In het Frans maakt men onderscheid tussen “la canne” (het wapen/instrument zelf én de vechtkunst) en “la canne de marche” (specifiek een wandelstok voor dagelijks gebruik).
De verbinding tussen deze termen komt voort uit de late 19e en vroege 20e eeuw, toen wandelstokken een alledaags accessoire waren voor heren. Dit alledaagse voorwerp werd in diverse Europese landen omgevormd tot een discreet zelfverdedigingswapen. De technieken die hiervoor werden ontwikkeld, vormden de basis van wat we nu kennen als stokschermen.
In Frankrijk ontwikkelde zich “La Canne de Combat” als formele discipline, terwijl in Engeland vergelijkbare systemen zoals de Vigny-methode ontstonden die specifiek gericht waren op het gebruik van de wandelstok als verdedigingswapen.
Het praktische aspect hiervan was belangrijk: heren konden zonder argwaan te wekken een wandelstok dragen, terwijl ze met de juiste training een effectief verdedigingsmiddel bij zich hadden. De technieken waren dan ook vaak ontworpen om effectief te zijn met de typische wandelstok uit die tijd – inclusief de gebogen handgreep die in sommige methoden werd gebruikt als bescherming voor de hand of als haak tegen een aanvaller.
Wij gebruiken de term “La Canne” om onze wandelstok aan te duiden als een wapen dat tevens functioneel is als wandelstok.

In een hybride systeem gebruikt men complementaire methodes en technieken. Dit is niet altijd de beste methode of techniek uit het desbetreffende systeem. Door een complementaire benadering toe te passen, kan men een bepaalde methode of techniek efficiënter gebruiken en een strategisch beter voordeel halen uit de synergie van de gebruikte methodes of technieken.
“La Canne Charlemont”, “Jacob Happel Gerathfechten” en “Liborio Vendrell Esgrimir el Palo” vormen de drie pijlers van dit hybride systeem. Elk brengt unieke elementen die samen een rijker geheel vormen:
Een concrete illustratie van deze integratie is te vinden in de basishouding van het systeem. In La Canne Charlemont maakt men gebruik van twee basishoudingen verbonden aan “tierce” en “quarte”. In de Jacob Happel methode kan men het concept van tierce terugvinden in de “borsthouding”, waarbij de stok voor de borst wordt gehouden. De quarte zal men terugvinden in de Happel methode wanneer de stok op de rug wordt gehouden.
Voor de Charlemont methode met garde tierce en quarte heeft men veel ruimte nodig omdat de basisslagen enigszins horizontaal worden toegepast. Bij de Happel borst- en rughouding zal men minder plaats nodig hebben omdat de basisslag meer verticaal wordt uitgevoerd. Dit maakt de Happel-benadering bijzonder geschikt voor omgevingen met beperkte ruimte, terwijl de Charlemont-methode mogelijk effectiever is in open ruimtes.
De twee-handen greep aan beide uiteinden van de stok uit het Vendrell systeem is een verrijking van het hybride systeem, vooral waardevol wanneer een eventuele tegenstander zeer dicht staat en een greepaanval probeert.
In alle drie de systemen wordt gebruik gemaakt van een “uitval” stap, waarbij de uitval of “afondo” in het Spaanse stokschermen bijzonder veel aandacht krijgt. Deze gedeelde techniek, met haar verschillende interpretaties en toepassingen in elk systeem, illustreert hoe fundamentele bewegingsprincipes kunnen worden verrijkt door diverse tradities samen te brengen.
“La Canne” is een systeem dat bestaat uit vier hoofdonderdelen:
In “La Canne” verwijst “garde” naar de basishouding of standpositie die men aanneemt alvorens aan te vallen of te verdedigen. Het woord “garde” komt uit het Frans en betekent “wacht” of “verdedigingshouding”.
Er zijn drie belangrijke garde-posities die gebruikt worden als uitgangspositie om passende basisslagen te oefenen.
Coup de figure
Coup de figure wordt letterlijk vertaald als “figuurslag”. De term “figuurslag” is een vertaling van “coup de figure”, maar in het Nederlands heeft dit weinig betekenis omdat “figuur” in deze context niet duidelijk verwijst naar het gezicht. In Nederlandse beschrijvingen van traditionele vechtsystemen worden slagen vaak genoemd naar het doelwit waarop ze gericht zijn, dus “gezichtsslag” zou het meest in lijn zijn met de Nederlandstalige vechtterminologie.
Coup de bout
Coup de bout: de letterlijke vertaling is “steekslag”. In het geval van de “coup de bout” in de Charlemont-methode is “steekstoot” een betere en meer accurate vertaling dan “steekslag”. De beweging wordt beschreven als het direct naar voren stoten van het uiteinde van de stok in een rechtlijnige beweging, niet in een zwaaiende boog.
Een slag wordt typisch uitgevoerd met een zwaaiende, roterende beweging waarbij kracht wordt opgebouwd door versnelling van het wapen (of de vuist/ledemaat) in een boog. Een stoot wordt uitgevoerd met een lineaire, rechtlijnige beweging waarbij het wapen (of de vuist/ledemaat) in een rechte lijn naar het doel wordt gebracht.
De Franse versie is aangepast naar de hedendaagse franse taal.
De Nederlandse versie is aangepast naar de hedendaagse nederlandse taal
De Charlemont-methode is een Franse stokvechtkunst (La Canne Française) ontwikkeld door Joseph Charlemont in de 19e eeuw. Het systeem is opgebouwd uit vier hoofdonderdelen:
De methode benadrukt dat een wandelstok een formidabele verdedigingswapen is wanneer correct gebruikt. Volgens Charlemont moet een slag altijd met de volledige inzet van schouder, arm, onderarm, pols en hand worden uitgevoerd, niet alleen met de pols zoals bij oudere methoden. Dit maakt de slagen veel krachtiger en effectiever voor zelfverdediging.
De ideale stok is gemaakt van kornoeljehout, ongeveer 95 cm lang en weegt 325-525 gram afhankelijk van de kracht van de gebruiker.
Zie ook Hybride methode
Aikido (合気道 ), letterlijk vertaald “de weg van harmonie met Ki” is een Japanse krijgsdiscipline met een sterk filosofische inslag, die in het begin van de 20e eeuw door Morihei Ueshiba ontwikkeld werd. Ueshiba liet zich hierbij inspireren door de technieken van de Japanse samoerai en krijgskunsten en/of vechtsporten als Daito ryu ju jutsu, Kitao ryu jujutsu en en andere oude krijgkunstscholen. Ueshiba voegde ook een morele waarde toe aan de kunst van aikido, die ontleend werd aan het toen nieuwe Japanse religie Omoto-kyo.
Aikido in de praktijk
Aikido is een verhaal van vallen en opstaan, men kan dit letterlijk nemen want in de aikidotraining zal men geregeld op de grond worden geworpen of geduwd. Maar…….aikido is ook een training voor het menselijk bewustzijn , een bewustzijn dat niet altijd in harmonie is met het lichaam.
Aikido is een spel van beweging en energie, beweging is een alom gekende term, maar die soms moeilijkheden oplevert bij hen die in het verleden weinig fysieke actie hadden. Energie is een heel ander verhaal, want de energie in aikido ontstaat alleen maar wanneer lichaam en geest in harmonie is.
Voor hen die vallen en opstaan te vermoeiend is, deze raad…. prop deze tekst in de vuilbak, maar voor hen die vallen en opstaan…..laat het avontuur beginnen!
In onze zoektocht naar de geheimen van het aikido zullen wij eerst bekijken hoe wij ons lichaam en bewustzijn met elkaar in evenwicht brengen, hiervoor gebruiken wij Shizentai no ri, het principe van het natuurlijke lichaam.
Lichaam en geest in harmonie genereert energie, energie die wij gebruiken om de tegenstander uit balans te brengen, Kuzushi no ri, het principe van de balansverstoring.
Met shizentai en kuzushi is de tegenstander onder controle en kunnen wij kiezen :
Laten leven of niet laten leven?
Aikido opteert voor het leven, onze technieken hebben niet de bedoeling om de tegenstander te kwetsen of te doden.
Graden
Net als bij judo en karate, kent aikido kyu graden en dan graden. Doorgaans zijn er zes kyu graden waarvoor men examen kan doen en vervolgens tien dan graden. Vanaf de eerste dan wordt een zwarte band gedragen.
Even when you reach the age of seventy or eighty, you must continue your research with a positive attitude, always thinking “not, not yet”.
Chosin Chibana – Okinawa Karate Master
*******
