Aikido, Uncategorized

Verplaatsing – Unsoku

Verplaatsingen

De manier waarop je verplaatst (voorwaarts, achterwaarts of zijwaarts) speelt een cruciale rol bij het behouden van je houding en het effectief uitvoeren van aanval en verdediging. Om snel en effectief te handelen in de split-second dynamiek van gevechten, moet je geest kalm blijven en je lichaam in balans blijven in een natuurlijke houding. Elke verstoring in je houding kan leiden tot kwetsbaarheid. Verplaatsing moet daarom voldoen aan stapmethodes (unsoku) die balans behouden en destabilisatie voorkomen, ongeacht de richting of rotatie.

De basisprincipes van verplaatsing omvatten het coördineren van het zwaartepunt van je lichaam met de voetplaatsing. Je lichaamsgewicht moet altijd in lijn zijn met de voet in beweging, waarbij beide voeten dicht bij de grond blijven. Dit zorgt voor naadloze overgangen in houding zonder het evenwicht te verliezen.

Overgang tussen Zittende en Staande Houdingen:

  • Van Seiza naar Staand:
    1. Buig je tenen onder voor een stabiele basis.
    2. Plaats gewicht op één knie en til de andere knie op, terwijl je je houding recht houdt.
    3. Kom geleidelijk overeind in de staande houding.
  • Van Staand naar Seiza:
    1. Zet één voet naar achteren om je lichaam geleidelijk te verlagen.
    2. Laat één knie zakken, gevolgd door de andere, en ga in seiza zitten.
    3. Behoud balans tijdens de beweging.

De Verplaatsingen

In boeken als Judo Taiso, Judo & Aikido en Aikido Nyumon van Kenji Tomiki worden verschillende termen gebruikt om verplaatsing te definieren. In Goshin Jutsu Nyumon (20 november 1974) beschreef Tomiki okuri-ashi als een alternatieve versie van tsugi-ashi.

  • Tsugi-Ashi
  • Okuri-Ashi
  • Mawari-Ashi
  • Ayumi-Ashi

Soms wordt de term “tsuri-ashi” gebruikt in de context van Japanse krijgskunsten en dit creeert dikwijls verwarring in discussies betreffende verplaatsingen.

Tsuri-ashi(つり足 / 吊り足)

Tsuri ashi betekent letterlijk “opgehangen / opgetilde voet”.
In de Japanse krijgskunsten verwijst het naar een manier van bewegen waarbij:

Het gewicht licht en gecentreerd blijft, de voet niet zwaar “neerploft”, je direct kunt reageren (aanvallen, ontwijken, draaien).

Het is dus geen vaste gedefinieerde beweging, maar een kwaliteit van beweging.
In alledaags Japans zegt men niet standaard “hij loopt met tsuri ashi”. het klinkt technisch of vakjargon-achtig.

Tsugi-ashi (次足)

Betekenis: “Volgvoet” of “stapvoet”.

Uitvoering 1: Je verplaatst eerst de voorste voet naar voren, gevolgd door de achterste voet die “volgt” om de oorspronkelijke positie te herstellen. 

Uitvoering 2: Je verplaatst eerst de achterste voet tegen de voorste voet, gevolgd door de voorste voet om de oorspronkelijke afstand te herstellen. Deze manier wordt gebruikt om de afstand tot de tegenstander te verkleinen. Deze manier leunt sterk aan bij okuri-ashi.

Okuri-ashi (送り足)

  • Betekenis: “Duwvoet” of “stuurvoet”.
  • Uitvoering: Bij okuri-ashi verplaats je de achterste voet naar voren, terwijl je de voorste voet tegelijkertijd naar voren “duwt” of “stuwt”. Beide voeten bewegen bijna gelijktijdig, maar de achterste voet landt eerst. Dit zorgt voor een krachtige, explosieve voorwaartse beweging.
  • Kenmerk: De beweging is explosief en gericht op het genereren van momentum. Het is minder geschikt voor subtiele of defensieve verplaatsingen.

Deze verplaatsing wordt ook als een “uitval verplaatsing” beschouwd en wordt frequent gebruikt in Westerse krijgskunsten zoals schermen en “la Canne” stokschermen.

De achterste voet heeft ervoor gezorgd dat er momentum wordt gecreeerd. Na impact zal men snel tot een normale positie komen

Ayumi-ashi (歩み足)

Ayumi-ashi betekent letterlijk “loopstap” en verwijst naar een natuurlijke manier van lopen, waarbij de voeten afwisselend naar voren worden gezet, vergelijkbaar met normaal lopen. Deze staptechniek wordt vaak gebruikt in vechtkunsten zoals kendo, judo, aikido en karate.

Kenmerken:

  • De voeten bewegen afwisselend: eerst de ene voet, dan de andere.
  • Het zwaartepunt wordt tijdelijk verplaatst naar de voet die naar voren stapt.
  • Het is een basisbeweging die wordt gebruikt voor voorwaartse of achterwaartse verplaatsing.
  • Ayumi-ashi wordt vaak toegepast in situaties waarbij je grotere afstanden moet afleggen of wanneer je een natuurlijke, vloeiende beweging nodig hebt.

Nanba (難波)

De wandeltechniek nanba of namba, is een traditionele Japanse loopstijl die vooral bekendstaat om zijn efficiëntie, balans en gezondheidsvoordelen. Deze techniek is vernoemd naar de Namba-regio in Osaka, waar het historisch veel werd toegepast. Hier zijn de belangrijkste kenmerken en toepassingen:

Wat is Nanba?

  • Oorsprong: Nanba is een natuurlijke, ontspannen looptechniek die stamt uit het oude Japan. Het werd oorspronkelijk gebruikt door boeren, kooplieden en samurai om lange afstanden te lopen zonder vermoeid te raken.
  • Kenmerken:
    • Korte, snelle passen met een lichte, veerkrachtige tred.
    • Minimale verticale beweging, waardoor energie wordt bespaard.
    • Gelijke gewichtsverdeling tussen beide benen, wat de belasting op gewrichten vermindert.
    • Stille voetplaatsing, waarbij de hiel of middenvoet eerst de grond raakt, gevolgd door een soepele afrol naar de tenen.

Voordelen van Nanba

  1. Energie-efficiënt: Ideaal voor lange afstanden, zoals pelgrimstochten of dagelijkse wandelingen.
  2. Gezondheid: Vermindert de belasting op knieën en heupen, wat gewrichtspijn kan voorkomen.
  3. Balans: Verbeterde stabiliteit, vooral op oneffen terrein.
  4. Mindfulness: De techniek moedigt een geconcentreerde, rustige geest aan, vergelijkbaar met meditatief lopen.

Nanba is geen standaardterm voor voetbewegingen in traditionele Japanse vechtkunsten. Het kan echter verwijzen naar een specifieke stijl of methode, afhankelijk van de context. In sommige gevallen kan Nanba verwijzen naar Nanba Aruki, een looptechniek die wordt geassocieerd met bepaalde Ninja gevechtsstijlen of militaire trainingen.

Nanba Aruki (難波歩き):

  1. Dit is een looptechniek die wordt gebruikt in historsche Japanse militaire trainingen en sommige Ninja vechtkunsten.
  2. Het is een manier van lopen die gericht is op efficiëntie, stabiliteit en het minimaliseren van vermoeidheid tijdens langdurige marsen of bewegingen.
  3. De techniek benadrukt het gebruik van het hele lichaam om energie te besparen en de balans te behouden.
  4. In sommige “kata” gebruikt men een gelijkaardige manier om naar de tegenstander te lopen en vervolgens kontakt te maken. In de oude vormen van de Tomiki Aikido kata zal men dit terugvinden.

Geraadpleegde dokumenten:

Judo Taiso – KenJi Tomiki
Nyumon Aikido – Kenji Tomiki
Goshin Jutsu – Kenji Tomiki
Randori no Kata – dr Lee ah Loi

Diverse dokumenten en archiefstukken “La Canne”

Standaard
La Canne, Uncategorized

De Kinetische Ketting

Een kinetische ketting verwijst naar een reeks opeenvolgende gewrichten en spiergroepen in het lichaam die samenwerken om beweging mogelijk te maken. Deze ketting beschrijft hoe krachten en energie worden overgedragen van het ene lichaamsdeel naar het andere tijdens bewegingen, zoals lopen, gooien of springen.

Kernpunten:

  • Samenhang: Gewrichten en spieren werken als een geïntegreerd systeem.
  • Energieoverdracht: Beweging in het ene deel (bijv. heup) beïnvloedt andere delen (bijv. knie, enkel).
  • Functioneel: Belangrijk in sport, revalidatie en dagelijkse activiteiten om efficiëntie en coördinatie te optimaliseren.

Kortom: het is het principe dat het lichaam als een verbonden geheel functioneert bij beweging.

De Kinetische Ketting in La Canne of andere gevechtskunsten

Een optimale stokslag in La Canne volgt een specifieke volgorde van deelbewegingen, waarbij elke fase bijdraagt aan de uiteindelijke kracht en precisie. Als één schakel in deze ketting verstoord is, verliest de hele beweging aan effectiviteit.

De ideale volgorde voor een krachtige stokslag

  1. Voeten en benen (grondreactiekracht)
    • De beweging begint met een voorwaartse stap en gewichtsverplaatsing .
    • De kracht wordt gegenereerd door het plaatsen van de hiel tegen de grond, vervolgens het afrollen van de voet tot aan de voetbal wat energie omhoog stuwt via de benen.
  2. Heup- en romprotatie
  1. De heupen draaien mee, wat de kracht van de benen versterkt en doorgeeft aan de romp.
  2. Een goede heuprotatie zorgt voor een “whip-like” effect, waarbij de energie als een golf door het lichaam beweegt.
  3. Schouder- en armbeweging
  1. De romp- en heuprotatie wordt overgedragen naar de schouders, die de arm en stok in beweging zetten.
  2. De arm fungeert als een geleider van de kracht, niet als de primaire bron.
  3. Pols- en stokbeweging (impactmoment)
  1. Op het moment van impact wordt de laatste “klik” gegeven door een snelle polsrotatie, die de stok versnelt en de kracht concentreert op het doelwit.
  2. Dit is het moment waarop alle eerder gegenereerde energie wordt gefocust op een klein oppervlak.

Wat gebeurt er als de volgorde verstoord is?

  • Te vroeg of te laat activeren van een deelbeweging:
    • Bijv. als de arm te vroeg duwt (voor de heuprotatie), gaat kracht verloren en voelt de slag “zwak” of oncontroleerbaar.
    • Als de pols te laat draait, mist de stok de optimale impact en “smeert” de kracht uit.
  • Blokkades door spanning:
    • Een gespannen schouder of pols onderbreekt de krachtstroom, zoals eerder besproken.
  • Verkeerde voetpositie:
    • Slechte balans of verkeerde gewichtsverdeling zorgt voor een instabiel platform, waardoor de kracht niet efficiënt kan worden overgedragen.

Hoe dit te trainen?

  1. Deelbewegingen isoleren en vervolgens integreren
    • Oefen elke fase apart (voetwerk, heuprotatie, armbeweging, pols) en bouw ze vervolgens langzaam aan elkaar.
    • Gebruik langzame bewegingen om de volgorde te voelen.
  2. Gebruik van hulpmiddelen
  1. Een zware stok of weerstandsbanden kunnen helpen om de kinetische ketting te “voelen”.
  2. Film jezelf om te analyseren waar de ketting onderbroken wordt.
  3. Partneroefeningen
  4. Laat een partner licht tegenhouden op verschillende punten (bijv. schouder, pols) om te voelen waar je kracht verliest.
  5. Ademhaling en ontspanning
  6. Span alleen de nodige spieren aan op het juiste moment. Bijv. de core moet stabiel zijn, maar de arm en pols moeten ontspannen zijn tot het impactmoment.

Het geheel is groter dan de som van de afzonderlijke delen

De uitspraak “het geheel is groter dan de som van de afzonderlijke delen” is afkomstig van de gestaltpsychologie, een stroming binnen de psychologie die in het begin van de 20e eeuw ontstond. Deze stelling wordt vaak toegeschreven aan de Duitse psycholoog Kurt Koffka, een van de grondleggers van de gestaltpsychologie. Het principe wordt ook wel aangeduid als “emergentie”: nieuwe eigenschappen of effecten ontstaan wanneer onderdelen samenwerken die niet voorspelbaar zijn op basis van de afzonderlijke delen.

Verklaring van het fenomeen

  1. Gestaltprincipe Volgens de gestaltpsychologie waarnemen mensen objecten en ervaringen als gehelen, niet als losse onderdelen. Bij lichaamsbewegingen betekent dit dat de coördinatie, timing en interactie tussen spieren, gewrichten en zenuwstelsel leiden tot een beweging die soepeler, efficiënter of krachtiger is dan wanneer je elke spier of beweging apart zou analyseren. Het geheel creëert een synergie die meer is dan de som van de individuele acties.
  2. Neuromusculaire integratie Het menselijk brein en zenuwstelsel zijn geoptimaliseerd om bewegingen als patronen te sturen, niet als losse spiercontracties. Wanneer je bijvoorbeeld loopt, springt of een complexe vechttechniek uitvoert, werken spieren, pezen, gewrichten en het evenwichtsorgaan samen op een manier die energie bespaart en de prestatie verbetert. Dit noemt men motorische synergie: het lichaam organiseert zichzelf automatisch voor optimale prestaties.
  3. Biomechanica en efficiëntie Bij geïntegreerde bewegingen worden krachten en energie overgedragen tussen lichaamsdelen. Een voorbeeld is het gooien van een bal: de kracht komt niet alleen uit de arm, maar uit een kettingreactie die begint in de benen, via de rompspieren naar de arm en hand. Deze kinetische ketting zorgt voor meer kracht en precisie dan wanneer je alleen je arm zou gebruiken.
  4. Cognitieve en perceptuele factoren Het brein ervaart beweging als een geïntegreerd geheel. Wanneer je een techniek (bijvoorbeeld in vechtsport of dans) onder de knie hebt, hoef je niet meer na te denken over elke individuele spier. Dit noemt men automatisering: het geheel voelt natuurlijker en effectiever aan dan de som der delen.
  5. Voorbeelden uit de praktijk
    • Lopen: De afwisseling tussen benen, armen en romprotatie zorgt voor een efficiëntere voortbeweging dan wanneer je alleen je benen zou gebruiken.
    • Slaan in vechtkunst: De kracht komt uit de hele lichaamshouding, niet alleen uit de arm of hand.
    • Dansen: De gratie en vloeiendheid ontstaan door de samenhang tussen alle lichaamsdelen, niet door losse bewegingen.

Standaard
La Canne, Uncategorized

Gewichtsverplaatsing – Zwaartelijn

In La Canne (en veel andere vecht- en stokkunsten) is de gewichtsverplaatsing en voetplaatsing bij  een slag cruciaal voor kracht, balans en precisie.

Voetplaatsing en gewichtsverplaatsing

  1. Voet zetten:
    • Bij een stap naar voren wordt de voet eerst met de hiel neergezet, maar niet met het volledige gewicht. Dit zorgt voor stabiliteit en voorkomt dat je te ver naar voren leunt, wat je balans kan verstoren.
    • De voet landt in de richting van het doelwit, maar blijft licht en mobiel.
  2. Gewichtsverplaatsing:
  1. Het gewicht wordt niet direct op de hiel geladen, maar rolt soepel naar voren over de voet, van hiel naar middenvoet en uiteindelijk naar de bal van de voet (voorvoet).
  2. Op het moment van impact komt het gewicht vooral op de bal van de voet te liggen. Dit zorgt voor:
    • Kracht: Je kunt kracht genereren vanuit de grond, via de heupen, naar de stok.
    • Balans: Je blijft wendbaar en kunt snel reageren op een tegenaanval.
    • Stabiliteit: De voet fungeert als een “veer”, klaar om direct te herpositioneren.
  3. Heuprotatie en as-dissociatie:
  4. Terwijl het gewicht naar voren rolt, draaien de heupen mee om de slag te versterken. De schuine voetstand (parallellogram) maakt dit mogelijk zonder de balans te verliezen.

Waarom niet op de hiel blijven?

Op de bal van de voet kun je sneller van richting veranderen en krachtiger slaan.

Als je gewicht op de hiel blijft, ben je traag en kwetsbaar voor tegenaanvallen.

Praktisch voorbeeld

  • Fase 1: Hiel raakt eerst de grond (licht contact).
  • Fase 2: Gewicht rolt naar voren, heupen draaien, en op het moment van slaan staat het gewicht op de bal van de voet.
  • Fase 3: Direct na de slag kun je het gewicht weer naar achteren verplaatsen om te herstellen of een volgende actie in te zetten.

In de historische en technische bronnen over La Canne en andere stokvechtstijlen (zoals Spaans stokvechten en Japanse wapenkunsten) wordt de voetplaatsing en gewichtsverplaatsing vaak beschreven in termen van balans, krachtgeneratie en mobiliteit.

1. Frans Stokvechten (La Canne) – Larribeau

  • Voetwerk en gewichtsverplaatsing:
    • Larribeau benadrukt dat de voet eerst met de hiel landt, maar dat het gewicht direct naar de bal van de voet rolt tijdens de slag. Dit staat beschreven in de basisprincipes van de garde (houding) en het uitvoeren van coups (slagen).
    • De “moulinets” (molenbewegingen) vereisen een dynamische gewichtsverplaatsing van hiel naar bal, om kracht te genereren vanuit de grond (“appui”).
    • Balans: Het gewicht mag nooit volledig op de hiel rusten, omdat dit de mobiliteit beperkt en de slag verzwakt.
    • Heuprotatie: De heupen draaien mee met de voetbeweging, wat de slag versterkt en de as-dissociatie tussen boven- en onderlichaam mogelijk maakt.

2. Spaans Stokvechten – Vendrell y Eduart

  • Voetplaatsing:
    • Bij slagen zoals een verticale slag wordt de voet naar voren gezet met de hiel eerst, maar het gewicht wordt naar voren verplaatst naar de bal van de voet op het moment van impact.
    • Segmentale rotatie: De voet, knie en heup werken samen om kracht te genereren, waarbij de bal van de voet als “pivotpunt” fungeert.
  • Balans en stabiliteit:
    • Het handhaven van een lichte, veerkrachtige voetpositie is essentieel om snel te kunnen reageren op tegenaanvallen.

3. Jacob Happel – Stokvechten, Sabel, Zwaard

  • Gewichtsverdeling:
    • Happel beschrijft dat het gewicht nooit statisch op de hiel of voorvoet mag rusten, maar dynamisch moet bewegen tijdens een aanval.
    • Bij stappen naar voren wordt de hiel eerst geplaatst, maar de kracht komt voort uit het “afzetten” van de bal van de voet, vergelijkbaar met schermen.
  • As-dissociatie:
    • De voetplaatsing ondersteunt de onafhankelijke beweging van de stokas ten opzichte van het lichaam, wat precisie en kracht vergroot.

4. Shindō Musō-ryū Jōjutsu (Japanse stafkunst)

  • Voetwerk:
    • In Japanse stafkunsten wordt de voet vaak eerst met de hiel geplaatst, maar het gewicht wordt naar voren verplaatst naar de bal van de voet bij het uitvoeren van een slag (tsuki of uchi).
    • Dit principe is vergelijkbaar met kendo en iaido, waar de voetwerk (ashi-sabaki) cruciaal is voor kracht en balans.

5. Miyamoto Musashi – “Heihō Kadensho”

  • Gewichtsverplaatsing:
    • Musashi benadrukt het belang van een lichte, veerkrachtige voet die kracht kan genereren door het gewicht van hiel naar bal te verplaatsen.
    • Dit principe is toepasbaar op zowel zwaard- als staftechnieken en wordt vaak gekoppeld aan het concept van marobu (rondheid) in beweging.

Zwaartepunt projectie

Een fundamenteel biomechanisch principe dat in veel vechtkunsten en bewegingsleer centraal staat: de projectie van het zwaartepunt en hoe dit de krachtoverdracht vanuit de grond beïnvloedt. Dit is vooral relevant in La Canne, stokvechten, en andere wapenkunsten waar voetwerk, balans en krachtgeneratie essentieel zijn. Laten we dit verder uitdiepen, met name hoe het zwaartepunt en de gewichtsverplaatsing samenwerken voor effectieve slagen.

Projectie van het Zwaartepunt: Waarom Richting Cruciaal Is

a. Zwaartepunt richting hiel of bal van de voet

  • Correcte projectie:
    • Het zwaartepunt moet tussen hiel en bal van de voet worden geprojecteerd, in de richting van de voetboog (middenvoet).
    • Dit zorgt voor een stabiele basis en maakt het mogelijk om kracht te genereren vanuit de grond.
    • Bij een slag wordt het gewicht van hiel naar bal verplaatst, waardoor de kracht via de voetboog en knie naar de heupen en uiteindelijk naar de stok wordt overgedragen.
  • Foutieve projectie (richting knie):
    • Als het zwaartepunt te ver naar voren wordt geduwd (bijv. richting knie of tenen), verlies je stabiliteit en wordt de krachtoverdracht gebroken.
    • Dit resulteert in een zwakkere slag en maakt je kwetsbaar voor tegenaanvallen, omdat je niet meer kunt “duwen” tegen de grond.

b. Biomechanica van krachtoverdracht

  • Keten van kracht:
    • De kracht begint bij de voet (bal of hiel), gaat via de knie naar de heupen, en wordt vervolgens via de rompspieren en schouders naar de stok overgedragen.
    • Als het zwaartepunt te ver naar voren valt (bijv. over de knie), wordt de knie geblokkeerd en kan de heup niet meer vrij roteren. Dit beperkt de kracht en maakt de beweging stijf.
  • Voorbeeld uit La Canne:
    • Bij een coup de pointe (stoot) of coup de figure wordt het gewicht van hiel naar bal verplaatst, terwijl het zwaartepunt boven de voetboog blijft. Dit zorgt voor maximale kracht en balans.

Toepassing in La Canne en Stokvechten

a. Voetwerk en Zwaartepunt

  • Stap naar voren:
    • De voet landt eerst met de hiel, maar het gewicht wordt gecontroleerd naar voren gerold naar de bal van de voet.
    • Het zwaartepunt blijft boven de voetboog tot het moment van impact, waarna het gewicht op de bal van de voet rust.
    • Dit zorgt voor een veerkrachtige positie, klaar om direct te reageren.
  • Fout: Zwaartepunt naar knie duwen:
    • Als het zwaartepunt voorbij de knie wordt geduwd, verlies je de verbinding met de grond. De kracht komt dan uit de spieren in plaats van uit de grond, wat minder efficiënt is.

b. Heuprotatie en As-dissociatie

  • Heupen als motor:
    • De heupen draaien mee met de voetbeweging, maar alleen als het zwaartepunt correct is gepositioneerd.
    • Als het zwaartepunt te ver naar voren valt, kan de heup niet meer vrij roteren, wat de slag verzwakt.
  • As-dissociatie:
    • De voet en heup werken samen als een spiraal: de voet zorgt voor stabiliteit, de heup voor rotatie en kracht.
    • Dit principe wordt ook beschreven in Spaans stokvechten (Vendrell) en Japanse wapenkunsten, waar de voetwerk (ashi-sabaki) en heuprotatie (koshi-mawari) essentieel zijn.

Wat is As-dissociatie?

As-dissociatie betekent dat verschillende delen van het lichaam (voeten, heupen, rompspieren, armen, stok/wapen) onafhankelijk van elkaar bewegen, vaak langs verschillende assen. Dit stelt je in staat om:

  • Kracht te genereren vanuit de grond, via de heupen, naar de stok of het wapen.
  • Tegenstanders te misleiden door onverwachte hoeken en bewegingen.
  • Balans en stabiliteit te behouden, zelfs tijdens complexe technieken.

Belangrijkste assen in vechtkunsten

  • Verticale as (bijv. het centrale zwaartepunt, Chūshin in Japanse kunsten).
  • Horizontale as (bijv. zijwaartse bewegingen, zoals in pas de côte).
  • Diagonale/spiraalvormige as (bijv. draaiende slagen of molenbewegingen).
  • Functionele as (bijv. de richting van de slag, Hasuji in zwaardvechten).
Standaard
Uncategorized

Kenji Tomiki Technical

Kenji Tomiki authored several books, primarily in Japanese, exploring the concepts and techniques of Kodokan Judo and Daito Ryu Aiki-Jutsu/Aikido. His notable works include:

Judo Taiso: His first book, focusing on Aikido techniques designed to be integrated into Kodokan Judo.
Aikido Nyumon: His second book, which delves deeper into the principles and techniques of Aikido.
Goshin Jutsu Nyumon: A book that presents Aikido as a practical method for self-defense.

Find here some examples from Goshin Jutsu Nyumon

Standaard
Uncategorized

Shu Ha Ri & Leonardo Da Vinci – Living Movement

Many martial arts start by teaching techniques through ‘key points’. These points form a series of static ‘images’ that require connection. This creates a technique-movement, which is a copy of what the teacher demonstrates. Adding dynamics such as speed, power and flow can make this copy more efficient, but it often remains a mechanical imitation.

Keypoint-static images =>
=> Technique movement =>
=> Living movement – The Truth

Only when we truly understand the essence, the “Truth” behind the technique, can the movement transform. This requires not just physical execution, but also mental engagement. We must not only reproduce the technique but experience and integrate it into our body and mind. Thus, the original “movement-copy” becomes a living, organic entity—a movement that is not only technically correct but also authentic and effective.

This process demands:

  • Physical Integration: The body must not only perform the movement but also feel and adapt it to the context.
  • Mental Presence: Awareness of intention, breath, and energy makes the movement more powerful and precise.
  • Experimental Freedom: By playing with timing, angles, and power, you discover how the technique works in different situations.

The challenge lies in letting go of the rigid copy and finding your own expression within the technique. This way, the movement becomes not only more efficient but also unique and alive.


Living Movement in the Renaissance: Leonardo da Vinci

The concept of “living movement” was already a significant theme during the Renaissance, particularly for one of Europe’s most important figures: Leonardo da Vinci.

Leonardo saw movement as the soul of art and nature. Some key concepts he emphasized:

  • Movement as Life Force: For Leonardo, movement was not just physical but also an expression of inner strength and intention. He studied how muscles, joints, and emotions work together to bring an action to life. In his drawings and paintings (e.g., The Vitruvian Man or The Battle of Anghiari), he sought to capture movement as a continuous flow, not as a series of static poses. This principle also applies to martial arts: a technique is only truly effective when it has a natural, flowing dynamic, as if it arises from within.
  • The “Figura Serpentinata”: Leonardo introduced the idea of the serpentinata—an S-shaped, spiral movement that radiates energy and grace. This form creates a sense of potential energy and balance, both in art and physical action. In martial arts, this is reflected in techniques that use rotation, coiling, and the transfer of power through the entire body.
  • Observation of Nature: Leonardo studied water currents, bird flight, and human anatomy to understand movement. He believed that true mastery comes from observing and imitating natural principles. For a fighter, this means movements should not be forced but should arise from a deep understanding of biomechanics and timing—just as a river flows without resistance.
  • The Illusion of Life: In his paintings, Leonardo aimed to capture the moment before or after an action to give the viewer a sense of movement. This is comparable to the idea in martial arts that a technique is not just an endpoint but an ongoing process. A punch or kick is only powerful when connected to the practitioner’s breath, weight, and intention.

Leonardo’s vision aligns seamlessly with the description of the “movement-copy” coming to life:

  • Transcending Mechanical Imitation: A technique only becomes “true” when infused with understanding and intention.
  • Unity of Body and Mind: Just as a painter must capture the soul of their subject, a fighter must feel the essence of a movement to truly master it.
  • Dynamics as Key: Whether in a brushstroke or a sword strike, true skill emerges when form and energy merge.

Practical Application for Martial Arts

When applying Leonardo’s principles to training, consider:

  • Fluid Transitions: Practice techniques not as isolated parts but as a continuous sequence of movements.
  • Play with Tension and Relaxation: Just as Leonardo used light and shadow to create depth, you can use tension and release to make power more efficient.
  • Visualization: Imagine energy flowing through your body, as Leonardo depicted muscles beneath the skin.

Figura Serpentinata

The figura serpentinata is one of the most fascinating and influential concepts in Renaissance art theory, developed primarily by Leonardo da Vinci and later expanded by Mannerist artists like Michelangelo and Raphael. The idea revolves around a dynamic, S-shaped, or spiral composition that exudes movement, tension, and vitality. This concept is relevant not only to visual arts but also to dance, architecture, and—interestingly—martial arts and movement science.

Application in Martial Arts

The figura serpentinata is a fundamental principle in many martial and movement arts, often without being explicitly named. Here are some parallels:

  • Body Rotation: In a sword strike (e.g., a fendente in Italian fencing or a kesa-giri in Iaido), the body twists in a spiral motion. Power comes not just from the arm but from the hips and feet, moving like a wave through the body.
  • Footwork: Steps like the passo (Italian) or ayumi-ashi (Japanese) use diagonal, wavelike movements to generate stability and power.
  • Defense: When parrying an attack, the opponent’s force is often redirected in a circular or spiral motion (e.g., in Aikido or Capoeira).

Dance and Theater

Baroque Dance: Dancers use the serpentinata to create elegant, flowing movements that captivate the audience.

Modern Dance: Choreographers like Isadora Duncan and Martha Graham used this principle to enhance expression and dynamism.

Modern Science and the Figura Serpentinata

The Spiral as a Universal Pattern: DNA Strands

  • DNA Strands: DNA consists of two strands twisted into a double helix (spiral). This structure is not random; it provides maximum stability and efficient storage of genetic information.
    • Stability: The spiral keeps long DNA molecules compact and tangle-free.
    • Efficiency: The helix allows DNA to quickly “unwind” and “rewind” during processes like replication and transcription without wasting energy.
    • Flexibility: The spiral can adapt to changing conditions (e.g., during cell division), much like a fighter adapts to an opponent.
  • Figura Serpentinata: The S-shaped or spiral movement in art and martial arts is also focused on stability, efficiency, and flexibility:
    • Stability: A body moving in a spiral maintains balance, even during rapid actions.
    • Efficiency: Power is generated by the whole body, not just one muscle group, conserving energy.
    • Flexibility: Spiral movements allow a fighter to smoothly change direction, just as DNA can “unfold” and “refold.”


The Japanese Concept of Shu Ha Ri

This process aligns with the Japanese concept of Shu Ha Ri (守破離), a framework for mastery in martial arts, tea ceremony, and other traditional disciplines.


Shu Ha Ri: The Path to Mastery

1. Shu (守) – “Protect” or “Obey”

  • The student faithfully follows the teacher’s instructions, focusing on precise replication of form and technique.
  • The goal is internalization—absorbing the fundamentals without deviation.
  • Example: In martial arts, this means repeating basic stances, strikes, and footwork exactly as taught, without personal interpretation.

2. Ha (破) – “Break” or “Detach”

  • Once the basics are mastered, the student begins to question and adapt the techniques.
  • This stage involves experimentation—exploring variations in timing, angles, and application to understand deeper principles.
  • Example: A practitioner might modify a punch’s trajectory to fit their body mechanics or a sparring scenario.

3. Ri (離) – “Separate” or “Transcend”

  • The student goes beyond tradition, creating their own expression of the art.
  • Movement becomes intuitive and fluid, no longer bound by rigid forms.
  • Example: A master swordsman develops a unique style while still honoring the art’s core principles.

The Connection to Living Movement

The journey from Shu to Ri mirrors the transformation from a mechanical copy to a living technique:

  • Shu = The “movement-copy” (faithful reproduction).
  • Ha = Refining the technique through personal experience (adding dynamics, intent, and adaptability).
  • Ri = The technique becomes alive—an extension of the practitioner’s spirit, like Leonardo da Vinci’s figura serpentinata or the natural flow of DNA’s helix.
Standaard
Uncategorized

De Dynamiek van Assen: Meer dan alleen Verticaal

Veel vechtkunsten beginnen met een eenvoudig uitgangspunt: de verticale as als basis voor balans en kracht. Maar in de praktijk is dit vaak te beperkend. Ons lichaam is geen starre zuil – het bestaat uit meerdere segmenten (heupen, schouders, hoofd) die elk onafhankelijk kunnen roteren. Effectieve technieken ontstaan juist door as-dissociatie: het onafhankelijk bewegen van deze segmenten, waarbij de gravity line (zwaartekrachtlijn) niet altijd samenvalt met de actie-as – de as waarlangs een techniek wordt uitgevoerd.

In La Canne, het elegante Franse stokvechten, wordt dit principe tot in de perfectie toegepast. Hier speelt niet alleen de verticale as een rol, maar ook schuine, horizontale en spiraalvormige assen, die samen een dynamisch en onvoorspelbaar bewegingssysteem vormen. Deze kunst leert ons dat echte kracht en behendigheid voortkomen uit het samenwerken van meerdere assen in verschillende richtingen.

1. De Illusie van de Verticale Eenvoud

De aanname dat bewegingen altijd langs een rechte, verticale as verlopen, is te simplistisch. In werkelijkheid:

  • Ons lichaam heeft meerdere rotatiemogelijkheden (heupen, schouders, hoofd), die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen.
  • Kracht ontstaat juist door as-dissociatie: het onafhankelijk roteren van verschillende lichaamsdelen.
  • De zwaartekrachtlijn (gravity line) is niet altijd de as waarlangs een techniek wordt uitgevoerd.

La Canne maakt handig gebruik van deze principes door multi-directionele assen te integreren in voetenwerk, gewichtsverplaatsing en stokbewegingen.

2. Bewegingsassen: Parallel vs. Niet-Parallel

Een as is een denkbeeldige lijn waarrond rotatie plaatsvindt – zoals de spil van een draaideur. In La Canne onderscheiden we twee soorten assen, elk met hun eigen functie:

Parallelle Assen

  • Definitie: Assen die in dezelfde richting lopen, zonder elkaar te kruisen.
  • Kenmerken:
    • Stabiel en voorspelbaar (bijv. een rechtlijnige stoot).
    • Geschikt voor basistechnieken en verdedigingen waar controle vooropstaat.

Niet-Parallelle Assen

  • Definitie: Assen die in verschillende richtingen lopen en elkaar kunnen kruisen of schuin op elkaar staan.
  • Voordelen:
    • Kruisende krachtvectoren: Bijv. heupen draaien horizontaal (verticale as), terwijl de arm/stok diagonaal beweegt (schuine as). De energie “stapelt zich op” op het kruispunt, wat resulteert in meer kracht.
    • Moeilijker te blokkeren: Een aanval met niet-parallelle assen komt uit “onverwachte hoeken”, waardoor verdedigers meerdere bewegingsrichtingen tegelijk moeten neutraliseren.
    • Complexer, maar krachtiger: Door segmentale bijdragen (heupen, schouders, polsen) ontstaat een spiraalvormige of wervelende kracht, zoals in een flank- of gezichtslag.

Praktisch voorbeeld: Flankslag In deze techniek werken vier verschillende as-oriëntaties samen:

  1. Lichaamsas: Verticaal.
  2. Heuprotatie: Horizontaal (verticale as).
  3. Schouderrotatie: Schuin (door het schoudergewricht).
  4. Stokbaan: Diagonaal door de ruimte.

3. Voetenstand: Het Parallellogram als Fundament

De basis van La Canne begint bij de voetenstand: een parallellogram, waarbij de voorvoet schuin naar de tegenstander wijst en de achtervoet onder een hoek van 60-90 graden staat.

Waarom een Parallellogram?

  • Stabiliteit: Een brede basis zorgt voor balans tijdens rotaties en slagen.
  • Mobiliteit: Maakt snelle gewichtsverplaatsingen mogelijk in alle richtingen (vooruit, achteruit, zijwaarts).
  • As-uitlijning: De schuine opstelling maakt het mogelijk om de centrale as te behouden, terwijl heupen en schouders vrij kunnen roteren voor krachtgeneratie.

Afstand en Actie

De afstand tussen de voeten varieert afhankelijk van de techniek:

  • Korte afstand: Voor snelle stoten.
  • Langere afstand: Voor krachtige slagen.

4. Gewichtsverplaatsing: Schuine Lijn en Rotatie

Beweging in La Canne verloopt in twee fasen, waarbij schuine verplaatsing en heuprotatie samenwerken om kracht en precisie te genereren.

Fase 1: Rechtlijnige, Schuine Verplaatsing

Bij een aanval of verdediging wordt het gewicht niet recht naar voren of naar achter verplaatst, maar schuin (30-45 graden) volgend het parallellogram. Dit heeft drie doelen:

  1. Balans behouden: Het zwaartepunt blijft binnen de basis van het parallellogram.
  2. Kracht kanaliseren: Energie stroomt vanuit de steunvoet, via de heupen, naar de stok.
  3. Misleiding: Schuine bewegingen zijn minder voorspelbaar dan rechtlijnige stappen.

Fase 2: Rotatie van de Heupen

Na de initiële verplaatsing volgt een rotatie van de heupen, die de kracht versterkt. Hier speelt as-dissociatie een cruciale rol:

  • Voeten blijven in het parallellogram, maar de heupen draaien om de stokas te sturen.
  • Schouders volgen de heuprotatie, maar kunnen onafhankelijk bewegen om de stokas te optimaliseren (bijv. voor een moulinet).

Effect:

  • Centrifugale kracht: Bijv. bij een flank- of gezichtslag.
  • Precisie: De stokas kan precies op het doelwit worden gericht.

5. Assen in La Canne: Hoe Voetenstand en Gewichtsverplaatsing Ze Beïnvloeden

a. Anatomische As (Centrale Lijn)

  • Stabiel: Blijft recht en gecentreerd, zelfs tijdens schuine verplaatsingen.
  • Dynamisch: Kan tijdelijk verschuiven door heuprotatie, zonder dat de balans verloren gaat.

b. Functionele As (Stokas)

  • Volgt de heuprotatie: Bij een moulinet beschrijft de stok een cirkelvormige of diagonale as.
  • Veranderlijk: Kan van richting veranderen tijdens een beweging (bijv. van een cirkel naar een rechte lijn bij een stoot).

6. Toepassing in Technieken

a. Aanval: Flank- of gezichtslag

  1. Voetenstand: Parallellogram, voorvoet gericht op het doelwit.
  2. Fase 1: Gewicht schuin naar voren verplaatsen.
  3. Fase 2: Heupen roteren, waardoor de stokas een boogvormige beweging maakt met maximale kracht aan het uiteinde.

b. Verdediging: Parade en Riposte

  1. Voetenstand: Parallellogram, achtervoet draagt het meeste gewicht voor stabiliteit.
  2. Fase 1: Gewicht schuin naar achteren verplaatsen om de aanval te ontwijken.
  3. Fase 2: Heupen roteren om de stokas te veranderen en een tegenaanval (riposte) in te zetten.

c. Beweging: Zijstap

  • Voetenstand: Verandert in een nieuwe parallellogrampositie zijwaarts.
  • Gewichtsverplaatsing: Schuin naar links/rechts, gevolgd door heuprotatie om de stokas aan te passen.

7. Multi-Axiale Beweging in de Praktijk

Veel effectieve technieken in La Canne maken gebruik van niet-parallelle assen:

  • Draaiende slagen: Kunnen om een schuine as draaien, terwijl het lichaam verticaal blijft.
  • Afweertechnieken: Gebruiken soms spiraalvormige bewegingen, waarbij de as continu van richting verandert.

8. Waarom Dit Werkt: De Kracht van Multi-Directionele Assen

La Canne toont aan dat echte kracht en behendigheid niet voortkomen uit starre, verticale bewegingen, maar uit het samenwerken van meerdere assen:

  • Krachtiger slaan: Door energie uit verschillende segmenten te bundelen.
  • Verdedigingen doorbreken: Door aan te vallen vanuit onverwachte hoeken.
  • Vloeibaar bewegen: Adaptiever en minder voorspelbaar dan rechtlijnige systemen.
Standaard
Uncategorized

The “Sharp Edge” of a Stick

The Paradox of the Stick as a Weapon

A stick in stick fighting or La Canne obviously possesses no sharp edge, and in principle any part of the stick can strike the target. Nevertheless, we must consider the grip on the stick – the specific placement of palm and fingers – in order to generate impact in the most efficient manner.

Biomechanical Analogy with Swordsmanship

Universal Grip Principles

The correct placement of fingers and palm that we encounter in stick fighting is likewise found in the use of swords and all other weapons with a cutting edge. This correspondence is not coincidental, but based on fundamental biomechanical principles.

The Knuckle Line as Reference Point

In both Western and Eastern traditions, a crucial rule applies: the second knuckles (counted from the fingertip) correspond with the sharp edge of the sword. This natural alignment optimizes force transmission and control.

In Renaissance Italian fencing treatises, “filo dritto” (true edge) refers to the edge of the sword that aligns with the knuckles of the sword hand. This is the primary cutting and parrying surface employed in the majority of offensive and defensive actions, as described by the classical Italian rapier masters.

The Concept of the “Virtual Cutting Edge”

Translation to Stick Fighting

The line formed by the knuckles thus provides an indication of how we can attack with the “sharp edge” of the stick to cause optimal impact on the target. This virtual cutting edge determines:

  • Energy Transfer: Maximum force transmission to the target
  • Control: Precise guidance of the stick during the attack
  • Stability: Retention of grip upon impact

Fundamental Consistency

Universal Application

Although different nomenclatures are used to define stick strikes, fundamentally the same grip principles will always be employed. This universality underscores the biomechanical validity of the technique.

Practical Implications

  • All effective stick techniques respect the knuckle-line orientation
  • Variations in nomenclature do not alter the underlying grip structure
  • The “sharp edge” remains constant, regardless of the specific attack technique
  • Possible exceptions will confirm the rule

Historical Continuity

These grip principles represent an unbroken tradition extending from classical swordsmanship to modern stick fighting, preserving the essence of efficient weapon manipulation despite the change of weapon.

Standaard
Uncategorized

Kata, Formele Vormen en de Moderne Wetenschappelijke Benadering

Dogmatisme versus Evolutie

Elke krijgskunst die zichzelf respecteert, mag niet vasthouden aan dogmatisch denken. Japanse krijgskunsten gebruiken dikwijls “kata” om fundamenten te oefenen. Echter, veel kata zijn zo geformaliseerd geraakt dat etiquette en choreografie belangrijker zijn geworden dan de oorspronkelijke fundamentele principes die ze beoogden over te dragen.

Dezelfde zienswijze treffen we aan bij westerse krijgskunsten, die vaak eveneens dogmatische denkwijzen hanteren om legitimiteit te verkrijgen. Dit dogmatische denken vormt regelmatig een barrière in de evolutie van zowel de krijgskunst als de beoefenaar.

De moderne wetenschap heeft in het kader van sportbeoefening vele elementen uitvoerig beschreven, waardoor verschillende sporten naar een hoger plan zijn geëvolueerd. Het hoogspringen bijvoorbeeld: de gebruikte techniek is zeker getoetst aan de ontwikkelingen in de moderne biomechanische wetenschap van menselijke beweging.

Moderne Wetenschappelijke Concepten

Voorbeelden van een moderne zienswijze:

  • Ritmische en herhalende bewegingen: Natuurlijke oscillaties
  • Het natuurlijk aannemen van optimale posities en bewegingen: Attractor states

Natuurlijke Oscillaties

Natuurlijke oscillaties in krijgskunsten verwijzen naar ritmische, herhalende bewegingen die van nature voorkomen in het menselijk lichaam en in interactie met een tegenstander. Deze oscillaties zijn essentieel voor:

  • Efficiëntie
  • Balans
  • Timing
  • Krachtgeneratie

Ze ontstaan door de dynamiek van het lichaam, zwaartekracht en interactie met de omgeving (bijvoorbeeld de tegenstander).

Het Oscillatie versus Cartesiaans Dilemma

Natuurlijke oscillaties creëren bewegingspatronen die inherent adaptief zijn. Japanse kata of formele vormen zijn hiervan een voorbeeld, indien zij dit concept omvatten.

Cartesiaanse patronen daarentegen zijn lineair-geometrisch: rechte lijnen, vaste hoeken, cirkels, spiralen of statische posities. Deze creëren rigide motorprogramma’s die moeilijk aan te passen zijn wanneer de tegenstander iets onverwachts doet.

De Transfer-Paradox

Oscillatie-gebaseerde kata ontwikkelt dynamische invarianten – onderliggende bewegingsprincipes die stabiel blijven terwijl de oppervlakte-expressie varieert. Een spiraalbeweging kan zich manifesteren als slag, afwering of ontwijking, afhankelijk van de context.

Cartesiaanse kata leert specifieke motorsequenties die weinig variabiliteit toelaten. Het wordt een catalogus van “als-dan” regels in plaats van vloeiende adaptatie.

Attractor States

In krijgskunsten verwijst “attractor states” naar een concept uit de systeemtheorie en bewegingswetenschap. Het idee is dat het menselijk lichaam en onze bewegingen van nature neigen naar bepaalde efficiënte, stabiele of optimale patronen. Deze patronen worden “attractors” genoemd, omdat ze bewegingen als het ware “aantrekken” en stabiliseren, zelfs bij kleine verstoringen.

Attractor States in Tomiki Aikido

In Tomiki Aikido worden attractor states vooral gevormd door:

Herhaalde randori: Door voortdurend te oefenen tegen weerstand ontwikkelen beoefenaars natuurlijke, onbewuste reacties die het meest efficiënt zijn. Deze reacties worden attractor states: ze voelen natuurlijk aan en zijn het resultaat van selectie onder druk.

Economie van beweging: In randori leer je snel welke bewegingen het minst energie kosten en het meest effectief zijn. Deze bewegingen worden de “aantrekkers” in je repertoire.

Adaptiviteit: Tomiki Aikido moedigt aan om technieken aan te passen aan de situatie, waardoor attractor states niet star zijn, maar flexibel en contextafhankelijk.

Westerse Krijgskunsten: La Canne als Voorbeeld

La Canne—de Franse stokvechtkunst—is een uitstekend voorbeeld van een westerse krijgskunst waar de principes van natuurlijke oscillaties en attractor states net zo goed toepasbaar zijn als in oosterse vechtsporten.

1. Natuurlijke Oscillaties in La Canne

a. Ritmische Stokbewegingen

Wat: De stok wordt niet statisch gehanteerd, maar in vloeiende, ritmische bewegingen (oscillaties). Dit helpt momentum te behouden, de stok sneller te verplaatsen en de tegenstander te misleiden.

Hoe: Bijvoorbeeld het continu uitvoeren van posities tussen hoge en lage houdingen of het uitvoeren van brisés (neergaande stokzwaai) en enlevés (opgaande stokzwaai).

Voorbeeld: Een klassieke moulinet (molentje) is een oscillatie die zowel verdedigend als aanvallend kan worden ingezet, en die helpt de stok in beweging te houden zonder onderbreking.

b. Voetwerk en Lichaamsbeweging

Wat: Het voetwerk in La Canne is vaak oscillerend: kleine, ritmische stappen voorwaarts, achterwaarts en zijwaarts, die helpen balans te behouden en snel van richting te veranderen.

Hoe: Door het lichaam en de stok in een natuurlijk ritme te bewegen, kan de beoefenaar sneller reageren en kracht genereren vanuit heupen en schouders.

Voorbeeld: Het ritmisch verschuiven van gewicht van voor- naar achterbeen tijdens een aanval of verdediging, waardoor stokbewegingen soepeler en krachtiger worden.

c. Timing en Tegenoscillatie

Wat: Het gebruik van de natuurlijke oscillatie van de tegenstander om zijn aanval te ontwijken of te onderbreken. Dit is vergelijkbaar met het principe van “kuzushi” in Japanse krijgskunsten.

Hoe: Door de ritmische bewegingen van de tegenstander te observeren, kan een La Canne-beoefenaar zijn eigen oscillaties hierop afstemmen en op het juiste moment toeslaan of afweren.

Voorbeeld: Als de tegenstander een grote slag maakt, kan de beoefenaar met een kleine, ritmische beweging naar binnen stappen en een snelle stoot plaatsen op een onbedekt gebied.

2. Attractor States in La Canne

a. Natuurlijke Houdingen en Posities

Wat: Attractor states in La Canne zijn de stabiele, efficiënte houdingen waarnaar de beoefenaar automatisch terugkeert tijdens een gevecht. Deze houdingen bieden balans, bescherming en kracht.

Hoe: Door training ontwikkelt het lichaam een voorkeur voor bepaalde posities, zoals een lichte vooroverleuning met de stok in een neutrale positie, klaar om te slaan of af te weren.

Voorbeeld: De “garde basse” (lage houding) is een attractor state: de stok wordt laag gehouden, klaar om snel te reageren op een aanval.

b. Automatische Reacties

Wat: Door herhaling worden bepaalde afweringen en aanvallen onbewuste, natuurlijke reacties—attractor states die onder druk het meest efficiënt zijn.

Hoe: Bijvoorbeeld, als iemand een stoot naar het hoofd maakt, zal een ervaren La Canne-beoefenaar automatisch een afwerende beweging maken en direct een tegenaanval inzetten, zonder erover na te hoeven denken.

Voorbeeld: Een “parade” (afwering) gevolgd door een “riposte” (tegenaanval) is een klassieke attractor state in La Canne.

c. Efficiënte Bewegingspatronen

Wat: Attractor states zijn ook de meest efficiënte bewegingspatronen die het minst energie kosten en het meest effectief zijn. Deze patronen worden door training en sparring geselecteerd en versterkt.

Hoe: Bijvoorbeeld het gebruik van heupen en schouders om kracht te genereren in plaats van alleen de armen, waardoor stokbewegingen krachtiger en sneller worden.

Voorbeeld: Een moulinet voorafgaand aan een brisé-slag is een attractor state omdat het een natuurlijke, efficiënte manier is om kracht te genereren met de stok.

Toepassing in Training

  1. Oefen ritmische bewegingen: Begin met het ritmisch zwaaien en draaien van de stok, gecombineerd met voetwerk.
  2. Train onder druk: Sparring helpt attractor states te ontwikkelen, omdat alleen de meest efficiënte bewegingen werken onder druk.
  3. Observeer en pas aan: Let op de natuurlijke oscillaties van je tegenstander en gebruik deze om je eigen timing en reacties te verbeteren.
  4. Herhaal basistechnieken: Door basistechnieken veelvuldig te herhalen, worden ze attractor states—natuurlijke, onbewuste reacties.

Aanpassen van Geformaliseerde Vormen

Het is uiteraard een uitdagende opdracht om een geformaliseerde vorm, ontworpen door de stichter of bedenker van de krijgskunst, aan te passen aan moderne wetenschappelijke inzichten. Er bestaat vaak een vorm van dogmatisch denken dat verbiedt de ideeën en woorden van de stichter in twijfel te trekken.

In Tomiki Aikido bestaat de basiskata—ook wel randori-no-kata genoemd—die de technieken beschrijft welke toegepast mogen worden tijdens “shiai”. Het is opmerkelijk dat vele beoefenaars niet creatief genoeg zijn om andere technieken die niet in de kata voorkomen, te gebruiken als opening voor een techniek die wel in de basiskata voorkomt.

Vooruitkijkende Vraagstellingen

Waarom zouden we geen nieuwe kata ontwerpen of een bestaande kata hervormen tot een meer diepgaande reeks die aangepast is aan moderne wetenschappelijke bevindingen?

Mogelijke benaderingen:

  • Biomechanische optimalisatie: Kata herstructureren rond natuurlijke oscillaties
  • Variabiliteit-training: Meerdere uitvoeringsvormen per techniek integreren
  • Pressure-testing: Kata ontwikkelen die beter transfereren naar vrije oefening
  • Neuromotorische principes: Attractor states bewust cultiveren in vormtraining

Door deze moderne inzichten te integreren, kunnen we de wijsheid van traditionele kata behouden terwijl we hun effectiviteit voor moderne beoefenaars vergroten.

Standaard
Uncategorized

De Paradox van “Krijgskunst” Zonder Gevecht

De term “krijgskunst” bevat een inherente contradictie die steeds duidelijker wordt in de moderne praktijk. “Krijgs” verwijst naar Mars, de Romeinse god van de oorlog, en heeft expliciet betrekking op geweld en gevecht. “Kunst” daarentegen suggereert creativiteit, schoonheid en menselijke expressie. Deze spanning wordt acuut wanneer krijgskunsten voornamelijk worden beoefend als methoden van zelfverdediging, persoonlijke ontwikkeling of artistieke expressie in plaats van daadwerkelijke gevechtstraining.

Behoort krijgskunst tot het domein van artistieke ervaring, of is het fundamenteel een sportieve activiteit? Vanuit een puur functioneel standpunt zouden termen zoals “vechtsysteem” of “gevechtsmethode” accurater zijn, hoewel deze de negatieve associaties van geweld en agressie dragen. Wanneer echter het gevechtselement wordt weggenomen uit “krijgskunst,” verdwijnt de functionele basis volledig. Wat blijft er dan over van de oorspronkelijke praktijk?

Wat blijft er over wanneer je het vechten wegneemt:

1. Bewegingsfilosofie

  • Handelen zonder forceren
  • Ruimtelijk-temporele harmonie
  • Esthetische en spirituele concepten die de functionele oorsprong overstijgen

2. Lichamelijke Cultuur

  • Gecodificeerde bewegingstalen
  • Rituele bewegingsvormen
  • Esthetiek van precisie, kracht en gratie

3. Filosofische Concepten

  • Ethische codes in beweging
  • Contemplatie door herhaling
  • Meditatie in actie

De Kern van de Vraag

Wanneer je het vechten wegneemt, blijft er een geabstraheerde bewegingstaal over – net zoals abstracte schilderkunst geen “dingen” meer afbeeldt maar pure vorm wordt.

De Verschillende Benaderingen

Oosterse Tradities

Oosterse krijgskunsten danken hun populariteit vaak aan de geabstraheerde bewegingstaal waarbij beweging centraal staat en het functionele aspect een vage reflectie is van de oorspronkelijke gevechtsmethode. Als voorbeelden kunnen we Taichi, Aikido en Iaido noemen. Deze bewegingsvormen behouden nog een vage perceptie van wat ooit een dodelijke vechtmethode was. De functionaliteit die kenmerkend moet zijn voor een efficiënte vechtmethode is praktisch volledig verdwenen.

Performance Art

Performance art is een tijdelijke, lichamelijke kunstpraktijk waarin de kunstenaar zelf het primaire medium is. Het lichaam wordt een levend kunstwerk, tijd wordt materiaal, en de liveness van het moment is essentieel.

Performance art blijft radicaal omdat het de commodificatie van kunst weerstand biedt door aanwezigheid en tijdelijkheid centraal te stellen. Het is kunst die alleen bestaat in het moment van de ontmoeting tussen performer en publiek.

Demonstratiesport

Kenmerken:

  • Competitief maar functioneel niet gericht op efficiëntie in gevecht
  • Spectaculair voor het publiek door acrobatische handelingen
  • Technische virtuositeit in uitgetekende choreografie
  • Culturele legitimiteit door verwijzing naar de oorsprong

Sportlogica:

  • Gestandaardiseerde regels en puntensystemen
  • Vergelijkbare prestaties
  • Objectieve meetsystemen

De Waan van Efficiëntie in Krijgskunsten

Een kritiek punt ontstaat bij het onderzoeken van de effectiviteitsclaims van verschillende krijgskunstsystemen. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen gevaarlijk-en-efficiënt vechten en veilig-en-inefficiënt vechten, zodat beoefenaars gemakkelijk kunnen begrijpen met wat voor activiteit zij bezig zijn, en realistische verwachtingen kunnen hebben over de effectiviteit ervan.

Veel traditionele krijgskunsten die een filosofische transformatie hebben ondergaan, blijven effectiviteit in gevecht claimen terwijl zij tegelijkertijd precies die elementen weghalen die hen functioneel maakten in werkelijk conflict. Dit creëert een fundamentele contradictie: systemen die op de markt worden gebracht als “zelfverdediging” of “krijgskunst” die systematisch zijn ontdaan van hun krijgskundige toepassingen.

De efficiëntieparadox manifesteert zich op verschillende manieren:

  • Traditionele vormen uitgevoerd met gevechtsnarratief ondanks het ontbreken van efficientie-test tegen weerstand
  • Demonstratietechnieken die alleen werken onder gechoreografeerde omstandigheden maar worden gepresenteerd als gevechtstoepasselijk
  • Filosofische kaders gebruikt om de afwezigheid van realistische training te rechtvaardigen terwijl claims van krijgskundige effectiviteit behouden blijven
  • Cultureel gezag dat empirische verificatie van technieken vervangt

Deze waan wordt problematisch wanneer beoefenaars oprecht geloven dat zij vechtvaardigheden bezitten die nooit zijn getest onder realistische omstandigheden. De transformatie van functioneel vechtsysteem naar performance art of persoonlijke ontwikkelingspraktijk is legitiem, maar de voortdurende claims van gevechtseffectiviteit zonder corresponderende trainingsmethodologieën vertegenwoordigt een fundamentele verkeerde voorstelling van de capaciteiten van de kunst.

Standaard