Tweemaal herboren: hoe Europese en Japanse krijgskunsten elk hun revival vonden
Over uitgestorven tradities, moderne didactiek en de prijs van overleving.
Waarom dit artikel
Dit artikel is gegroeid uit een zoektocht die misschien paradoxaal klinkt: waarom een krijgskunst beoefenen, met de gedachte dat je haar nooit zult mogen gebruiken? Onze samenleving is erop gebouwd dat geweld geen optie is: zelfverdediging is juridisch nauw omgrensd, onnodig geweld wordt bestraft, en conflicten horen opgelost te worden met woorden, diplomatie en instellingen. Een traditie van stokvechten reconstrueren lijkt in dat kader op het koesteren van een vaardigheid die de samenleving zelf verbiedt toe te passen.
Precies die paradox is de reden van dit artikel. Als de praktische toepassing bijna uitgesloten is, wat blijft er dan over? Wat doet de beoefening met iemand die leeft in een geordende wereld waar de wet — terecht — het monopoly op geweld claimt? En waarom keren mensen, met mij, terug naar tradities die deze vragen al eeuwen geleden beantwoordden, in een vorm die ze voor ons bewaard hebben?
De vergelijking met Japan is daarbij geen toeval. Japan doorliep hetzelfde traject — afkeuring, verdwijning, revival — maar onder andere omstandigheden en met een andere uitkomst. Door beide revivals naast elkaar te leggen, hoop ik scherper te zien wat een krijgskunst vandaag nog kan zijn: geen voorbereiding op geweld dat nooit komen mag, maar een discipline die iets leert over geweld zelf — en over degene die eraan refereert. Dit artikel is dus geen handleiding voor reconstructie, maar een poging om het waarom van mijn eigen beoefening te verantwoorden.
Sinds het einde van de 20e eeuw houden historici en beoefenaars zich bezig met de reconstructie van Europese krijgskunsten die waren uitgestorven — niet omdat ze slecht waren, maar omdat ze praktisch irrelevant geworden waren en de sociale toestand ze afkeurde. Wie een parallelsituatie zoekt, hoeft niet ver te kijken: Japan. Ook daar maakten de oude krijgskunsten op het einde van de 19e eeuw plaats voor westerse invloeden. Maar de manier waarop beide werelden hun tradities nieuw leven inbliezen, verschilt fundamenteel. En dat verschil bepaalt hoe wij vandaag met onze eigen geschiedenis omgaan.
Japan: van verbanning tot pacifisme
Toen Japan in de Meiji-periode openging voor het Westen, veranderde alles. Het dragen van zwaarden werd verboden, de samoeraiklasse verloor haar functie, en het moderne leger werd ingericht naar Engels en Pruisisch model. Waar voorheen individuele meesters hun ryu aan een handvol leerlingen doorgaven, kwam er nu groepsdrill: massaal, gestandaardiseerd, militair efficiënt. Vermoedelijk speelde ook het Zweedse turnmodel van Ling hierin mee — dezelfde gymnastiek die op het Europese continent de turnhallen beheerste.
Maar de oude concepten verdwenen niet. Ze keerden verrassend snel terug in modern gewaad. Jigoro Kano smeedde in 1882 verschillende oude jujutsu-scholen samen tot judo: een wetenschappelijk opgebouwde, gegradeerde, veilige en vooral massaal onderwijsbare methode. Kendo deed hetzelfde voor het zwaardvechten. De oude ryu werden niet nagebootst — ze werden vertaald naar het pedagogische idioom van hun tijd.
Na de Tweede Wereldoorlog leek alles opnieuw verloren. De Amerikaanse bezetter demilitariseerde Japan en verbood de krijgskunsten. Maar Japan loste dit slim op: de nieuwe disciplines werden herpakt als sport en als
karaktervorming. Kendo en judo keerden terug met een expliciet pacifistisch imago — geen oorlogskunst meer, maar pad van zelfontplooiing.
Europa: dezelfde golven, een andere bodem
De Europese geschiedenis kent vergelijkbare golven, maar hier speelde zich al vóór de verdwijning een opmerkelijke drama af: de tradities werden eerst van binnenuit gemoderniseerd, en dán pas verlaten.
Neem de Franse la canne. De oude school van Leboucher en Larribeau (±1830–1860) was een echte gevechtskunst: een verzwaarde canne met het zwaartepunt in de kop, een martingale rond de pols, snijdende brisés en de gevreesde cassante parade — pareren met een harde terugslag die de aanvaller ontwapende. In 1899 veegde Charlemont deze hele benadering van tafel als “absolument nuls au point de vue de la défense” en verving haar door zijn canne par développement: een kinematisch doordachte methode gebaseerd op hefboomwerking en de volledige spierketting. Hij verwierp zelfs de moulinets van zijn voorgangers als “pure fantaisie”.
Dit is precies wat Japan in dezelfde periode deed: de praktijk hervormen naar de moderne wetenschappelijke inzichten van het einde van de 19e eeuw. Charlemont was de Europese Kano avant la lettre.
Daarna kwam de neergang: verstedelijking, wapenwetgeving en de opkomst van de moderne sporten. Maar toen Europa in de jaren 1990 zijn krijgskunsten ging herbouwen, deed zich het fundamentele verschil voor:
- In Japan bleef een levende overdrachtslijn. Meesters gaven leerlingen, leerlingen gaven meesters. De revival kon terugvallen op continuïteit.
- In Europa waren de tradities dood. Er bleven alleen teksten over: tractaten, handleidingen, gravures. De revival werd per definitie een reconstructie — bronnen bestuderen, experimenteel her interpreteren, hedendaags toepassen. Precies het schema dat vandaag de Acta Periodica Duellatorum beschrijft als de methodologie van het Historical European Martial Arts (HEMA). Interessant is dat de Europese tradities langs twee tegengestelde routes de 20e eeuw overleefden. De canne overleefde door sportificering: na de jaren 1970 werd ze een federale competitiesport met scheidsrechters, reglementen en aangepaste technieken — de cassante parade werd vervangen door absorberend pareren, gevaarlijke rippees verboden. De Ierse bataireacht daarentegen overleefde nergens institutioneel: kerk en GAA keerden zich ertegen, en alleen een familie lijn — de Doyles, die de traditie als “whiskey-stokdans” onderhielden — bracht haar mondeling naar de 21e eeuw. Eén traditie gered door het sportmodel, één gered ondanks de afwezigheid van elk model. Twee overlevingsstrategieën, één les: de vorm waarin een krijgskunst het heden haalt, zegt meer over haar sociale omgeving dan over haar technische waarde. Het anachronisme als working method
En hier komt de belangrijkste vraag: wat doet de moderne tijd met de reconstructie zelf? Omdat de Europese overdrachtslijn is afgesneden, moet elke hedendaagse interpretatie van een historische bron wel door een modern hoofd. En dat hoofd is gevormd door alles wat de 20e eeuw heeft bijgeleerd: Moderne sportwetenschap kleurt de bril. Charlemonts hefboom-en-snelheid-logica is vandaag de vanzelfsprekende norm. Wie een cassante parade uit een oud traktaat leest, ervaart die al snel als “technische fout”, omdat het moderne schermen absorberend pareert. Zo filtert een hedendaags bewegingsparadigma ongemerkt door in wat we als “correcte” reconstructie beschouwen. Levende tradities vullen het gat. Vele beoefenaars lenen structuur bij Aziatische kunsten — graden, etiquette, kata-achtige drills, zelfs grepen en voetwerk. Neem mijn eigen reconstructie van Happels stokschermen: de greep duim-tegen-middelvinger blijkt niet uit Happels eigen voorschrift (die schrijft duim over wijs- en middelvinger) maar uit Iaido, Jodo en Uchida Ryu Tanjo Jutsu. Zoiets kan verhelderend werken als brug, maar wordt misleidend zodra het als “historisch authentiek” wordt verkocht.
Competitie selecteert. Wie toernooien organiseert, moet reglementen schrijven en veiligheid garanderen. Wat niet scoort of te riskant is, verdwijnt uit de praktijk — dezelfde mechanismen die kendo en judo hun huidige vorm gaven.
Het anachronisme als functie
Bovenstaande mechanismen roepen een ruimere vraag op. Waarom grijpen mensen eigenlijk terug naar oude, quasi-uitgestorven krijgskunsten? Op het eerste gezicht zijn ze een anachronisme in een samenleving die steeds nadrukkelijker over harmonie, diplomatie en herverdeling spreekt — en die tegelijk geweld en agressie in films, games en geopolitiek blijft normaliseren. Niemand verdedigt zich vandaag met een stok tegen een overvaller; zelfverdediging als motivatie is grotendeels een rationalisatie. Wat is dan de werkelijke functie?
Het anachronisme is geen defect — het is precies de functie. In een maatschappij die geweld tegelijk veroordeelt en consumerbaar maakt, biedt de krijgskunst een van de weinige settings waar agressie gestileerd, gecodeerd en gereguleerd kan worden uitgevoerd: binnen etiquette, reglementen en wederzijds respect. Het pacifistische imago van het naoorlogse Japan en het “erfgoed”-imago van HEMA zijn twee versies van hetzelfde verdedigingsmechanisme: geweld aanvaardbaar maken door het te kaderen als cultuur. Dat de praktijk een anachronisme is, maakt haar juist veilig — ze is losgekoppeld van elke hedendaagse dreiging.
Authenticiteit in een gedesfabriceerde wereld. Moderne sporten zijn producten: fitness als consumptie, MMA als entertainment, zelfverdediging als angstmarketing. Een reconstructie uit oude tractaten belooft iets dat geen markt kan leveren: een echte link met het verleden, een ambachtelijke, trage praktijk. Dat het origineel onbereikbaar is, vergroot de aantrekkingskracht eerder dan dat ze die verkleint — het is een eeuwig project, geen afgerond product.
De ervaring van competentie. Onder de motivaties zit er ook één die zelden wordt uitgesproken: nostalgie naar directe fysieke meesterschap. In een werkelijkheid waarin mensen steeds minder concrete controle over hun omgeving hebben, biedt de reconstructie meetbare, met de hand verworven progressie. De zwaarte van de oefening, de pijn, de vooruitgang — die zijn echt, ook al is de historische reconstructie dat niet volledig.
En misschien wel het belangrijkste: een lichamelijke herinnering aan wat geweld ís. De filosofische claims van krijgskunsten — discipline, zelfbeheersing, karaktervorming — zijn grotendeels onbewezen. Maar de ervaring is reëel: wie fysiek heeft ondervonden wat spanning, afstand, timing en intimidatie doen, begrijpt conflict anders dan wie er alleen conceptueel over praat. In een samenleving die geweld verdringt maar er bleef over praten, houden krijgskunsten de fysieke realiteit ervan in stand — geen abstractie, maar iets met regels en gevolgen. Paradoxaal genoeg maakt dat beoefenaars misschien juist beter in dé-escalatie: het vervangt een vage angst door concrete kennis.
Een casus: de reconstructie van Happels stokschermen. Al het bovenstaande speelt zich in het klein af in de poging om het stokschermen van Jacob Happel (1833–1916) — Antwerps turnmeester, schermleraar en auteur — opnieuw leven in te blazen. Van Happel zijn geen levende leerlingen, geen filmbeelden, enkel handleidingen. Elke keuze die de hedendaagse reconstructeur maakt, is dus een vertaalslag: neem de greep. Happels eigen voorschrift schrijft de duim over wijs- en middelvinger, in het idioom van zijn turnmethode. De reconstructeur die vandaag oefent, grijpt echter instinctief naar een duim-tegen-middelvinger-greep die hij kent uit Iaido, Jodo en Uchida Ryu Tanjo Jutsu. Die greep werkt, voelt vertrouwd — maar hij staat niet in Happels tekst. Zo ontstaat, generatie na generatie, een hybride: een lichaam dat Aziatisch gevoed is, leest een 19e-eeuws Antwerps traktaat. Het anachronisme is hier geen theorie maar dagelijkse praktijk: de reconstructie is een dialoog met Happel geworden, geen kopie. En zolang die dialoog expliciet blijft — Happels Kreisen naast de Jodo-greep, beide benoemd en onderscheiden — is dat geen vervalsing maar precies de manier waarop een dode traditie opnieuw leeft.
Besluit: twee keer herboren, maar niet op dezelfde manier
De sociale choreografie van beide revivals is vrijwel identiek: afkeuring, opschorting, en een terugkeer onder een onschadelijk imago — sport, erfgoed, karaktervorming. Maar de methodische kern verschilt hemelsbreed. Japan reconstrueerde concepten, met levende overdracht als vangnet. Europa reconstrueert teksten, zonder enig vangnet.
Daardoor is bij HEMA de invloed van moderne ideeën geen randverschijnsel, maar de kern van de discipline. Elke reconstructie is een dialoog tussen de historische bron en het bewegingsparadigma van de onderzoeker. De vraag is daarom niet of we moderne invloeden gebruiken — dat doen we onvermijdelijk — maar of we ze expliciet maken. Pas wanneer de onderzoeker onderscheidt tussen wat de bron zegt en wat hijzelf toevoegt, wordt reconstructie geschiedenis in plaats van projectie.
De oudeschool-canne van Larribeau, de judo van Kano, de bataireacht van de Doyles: elk zijn ze twee keer geboren. De tweede geboorte draagt altijd de sporen van haar tijd. Wie die sporen kent en benoemt, kan ermee werken. Wie ze ontkent, herschrijft het verleden in zijn eigen beeld.