[
[
[

]
]
]

Victorian-dressed man and woman practicing with a cane and umbrella

Charlemont, Happel, Vendrell, Vigny en Barton-Wright (Bartitsu)


Hoe vijf Europeanen tussen 1877 en 1923 dezelfde vraag heel verschillend beantwoordden: hoe sta je klaar met een wandelstok?
Wie aan het einde van de 19e eeuw een wandelstok droeg — en dat deed vrijwel elke heer — droeg eigenlijk een wapen. Het was ondenkbaar om zonder stok de straat op te gaan. Maar hoe je die stok vasthield als het misging, daarover verschilden de meesters hemelsbreed. In mijn onderzoek naar stokscherm methoden (het project La Canne Stokschermen) doken vijf namen telkens op: Charlemont, Happel, Vendrell, Vigny en Barton-Wright. Hun gardes naast elkaar zetten, leerde me meer dan welk los handboek afzonderlijk.
De vraag die alles bepaalt Alle vijf lossen ze hetzelfde probleem op: hoe sta ik klaar voor aanval én verdediging, zonder dat mijn tegenstander ziet wat ik ga doen? Maar waar elke oplossing ligt, verschilt per traditie — en dat bepaalt de hele stijl.


Charlemont: de hand denkt (Parijs, 1899)


Joseph Charlemont, de grote hervormer van de Franse boxe et canne, denkt vanuit de hand. Zijn systeem kent twee soorten garde: een gewapende houding voor de solo-oefeningen (de stok klaar achter de nek) en een gevechtsgarde die “nagenoeg gelijk is aan die van het schermen”. In die gevechtsgarde is het verschil tussen tierce en quarte letterlijk alleen de draai van je hand — de voeten veranderen niet.
De logica is voorspellend: je kiest de garde die de verwachte aanval van je tegenstander het beste pareert én zet meteen je riposte klaar. De stok is een verlengde van je onderarm, gericht op zijn gezicht. En de kracht?
Die komt uit wat Charlemont zelf “het geheim van zijn onderricht” noemde: de volle keten schouder–arm–pols bij de slag, aangedreven door de wissel van je voeten. Een canne snijdt niet en steekt niet — alleen een heel harde slag werkt.


Happel: de greep benoemt (Antwerpen, 1877)

Verbeter uitsluitend de technische beeldkwaliteit van deze bestaande historische foto: verhoog de scherpte en lokale details voorzichtig, verminder lichte onscherpte en behoud exact dezelfde uitsnede, personen, tinten en inhoud. Voeg niets toe en verwijder niets.

De Antwerpse turnmeester Jacob Happel denkt helemaal niet als schermer, maar als turner. Zijn stokvechtstelling is gewoon de bokshouding, en de hele methodiek is een gymnastisch systeem: stokhoudingen bepaald ten opzichte van de onderarm (binnen/buiten × hoog/laag), negen handgrepen met Duitse namen, en het Kreisen — cirkelen — waarbij de arm buigt en zich samen met de treffer strekt.
Het briljante is de benoeming: de naam van de slag is de naam van de greep. Een spaak-wreefslag vertelt je meteen welke handoriëntatie je nodig hebt. Voor een turnzaal vol leerlingen was dat een geniale pedagogische zet. En Happels systeem is een leerlijn: de éénhandige Stok als opstap naar de tweehandige Staf. Niet hybride binnen één wapen, maar opgebouwd over wapens heen.


Vendrell: twee handen als motor (Spanje, 1881)


Het Spaanse Arte de Esgrimir el Palo van Liborio Vendrell y Eduart staat er haaks op: de stok heeft een afmeting van ongeveer 75 cm, een korte stok dus.
Beide handen vast, vier à vijf centimeter van de uiteinden, het lichaam in profiel, de armen volledig gestrekt, het midden van de stok rustend op de dij.
De tweede hand is hier geen hulp maar de motor: slagen ontstaan door afwisselend één hand los te laten — golpes met rechts naar de binnenlijn, reveses met links naar de buitenlijn. De tegenstander weet nooit uit
welke richting de eerste slag komt.


Vigny: verrassing boven alles (Genève/Londen, ±1900)


Pierre Vigny — de Zwitserse professor wiens methode via H.G. Lang (*) bewaard bleef — keert de schermtraditie om. Zijn garde is hoog: de hand terug over de schouder, de stok schuin omlaag, de punt op ooghoogte. Het lichaam staat exact omgekeerd aan boksen: rechtervoet voor, gewicht op het achterbeen.
De bedoeling is leesproofing: de stok wordt “gechamberd” vóór de slag, en het cirkelen vanuit de pols — Lang vergeleek het met een catherine wheel — maakt de richting onvoorspelbaar. De slagen worden niet groot gedraaid maar klein, snel en dodelijk verrassend. En de linkerarm? Die krijgt een bewuste rol als tweede guard.


Barton-Wright: de stok als lokaas (Londen, 1899)


Edward William Barton-Wright, de oprichter van Bartitsu, leerde het stokgevecht van… niemand minder dan Vigny. Maar in zijn eigen artikelen draait alles om berekening. Zijn back-guard: linkervoet en -arm uitgestrekt,
de rechterarm bewaakt het hoofd — want de hand is een “soft spot” die uit de gevarenzone moet blijven.
Zijn beroemdste principe: geen stok heeft een gevest, dus een parade zoals bij het schermen laat de slag op je vingers neerkomen. Barton-Wrights oplossing: elke parade zo geleid dat de slag van de hand af glijdt in plaats
van ernaartoe. Guard by Distance, plus jujutsu en worstelen als de afstand toch dicht lijkt.


Vijf meesters, 5 antwoorden, 1 methode: De Stok


Wat me het meest verraste: Charlemont en Vigny zijn elkaars spiegelbeeld. Zelfde Parijse canne-traditie, zelfde tegenstander (de straat in plaats van de salle) — maar waar Charlemont de slag zo groot en krachtig mogelijk wil, wil Vigny hem juist klein en onleesbaar. Hetzelfde wapen, de zelfde stad, en twee tegengestelde filosofieën.
In mijn eigen hybride methode lopen de vijf uiteindelijk samen: Happel levert de nomenclatuur en pedagogie, Charlemont de fundamenten en de éénhandige parades, Vendrell de tweehandige parades, en Vigny de hoge houding. Vijf meesters, één stok — en na anderhalve eeuw nog altijd geen enkele reden om zonder de deur uit te gaan.


Bronnen
Joseph Charlemont, La Boxe Française et de la Canne (Parijs, 1899) — tekst via BnF/Gallica
Jacob Happel, Das Geräthfechten (Leipzig, 1877)
Liborio Vendrell y Eduart, Arte de Esgrimir el Palo (Vitoria, 1881) — Nederlandse vertaling
Pierre Vigny via H.G. Lang, The Walking Stick Method of Self-Defence (±1923)
E.W. Barton-Wright, Self-Defence with a Walking-Stick (Pearson’s Magazine, Londen, 1899)
Manuels de canne et vieux traités de canne d’arme — analyse van het “système Charlemont” van de gardes
Sentiment du Fer (Columbia Classical Fencing, 2013) — over Vigny’s hoge garde en de zes gardes van la canne

  • H.G. Lang – de wandelstok als wapen in Brits-Indië
  • Een Engelse politieofficier, een Zwitserse schermleraar en een boek dat de Franse la canne-traditie over de hele wereld verspreidde.
    Wie was H.G. Lang?
    H.G. Lang was een Brits officier die carrière maakte bij de politie in Brits-Indië, waar hij het bracht tot Superintendent of Police. Over zijn persoonlijke leven — geboorte, overlijden, familie — is opvallend weinig
    bekend. Dat is typisch voor officieren uit de koloniale generatie: hun nalatenschap is geen dagboek, maar een handboek.
    En dat handboek is precies waarom we hem vandaag nog kennen. In de vroege jaren 1920, met 1923 als meest genoemde jaartal, publiceerde Lang The Walking Stick Method of Self Defence — een volledig systeem voor
    zelfverdediging met de wandelstok, in 116 bladzijden, waarvan 66 pagina’s concrete instructie, ondersteund door 60 foto’s en illustraties.
    Van Vigny naar Lang
    Het interessantste aan het boek is niet de tekst zelf, maar de lijn die erachter zit. Lang baseerde zijn methode grotendeels op het la canne-systeem van Pierre Vigny (1866–?), de in Haute-Savoie geboren schermleraar die in Londen chief instructor werd van de beroemde Bartitsu Club van Edward William Barton-Wright. Lang leerde het systeem kennen via Vigny’s leerling Percy Rolt — en vertaalde het vervolgens naar zijn eigen context: het politiewerk in India.
    Dat maakt Lang tot een cruciale schakel in de geschiedenis van het Europese stokvechten. Wat in Genève en Londen was ontwikkeld als burgerlijke zelfverdediging, kreeg bij hem een politionele functie: opleiding van
    politietroepen, ordehandhaving, en de beheersing van rellen in dichte menigtes.
    De hoge guard
    Technisch gezien is het Vigny-DNA overal in het boek terug te vinden. Het meest herkenbaar is de hoge guard (“high guard”), het handelsmerk van het Vigny-systeem. Waar de klassieke Franse canne (Charlemont,
    Leboucher) vooral van lage en middelhoge houdingen uitging, koos Vigny voor een hoge positie die zowel aanval als verdediging mogelijk maakte — met de steel van de stok als extra verdedigingslijn tegen slagen.
    Lang nam die hoge guard integraal over, én vond er een nieuwe toepassing voor: in een dicht opeengepakte melee, zoals bij straatgevechten en rellen, bleek de hoge positie uiterst praktisch. Bovendien paste zijn
    methode in een bredere Angelsaksische traditie van stoksystemen, zoals de Amerikaanse methode van A.C. Cunningham (1912), die eveneens tweehandige parades en een solistisch oefenformaat nastreefde.
    Pedagogische verdienste
    Lang was geen vernieuwer in de eerste plaats — hij was een vertaler en systeembouwer. Zijn grote verdienste is pedagogisch:
    Eenvoud: “De gewone man of vrouw kan er snel vaardigheid in opdoen”, schreef hij zelf. De technieken waren zo opgebouwd dat ze binnen enkele dagen te leren waren.
    Volledigheid: het boek behandelt guards, slagen, combinaties, tegenaanvallen, uitstoten en verleidingen (“feints & tricks”), tweehandige technieken en trainingsvormen.
    Functionaliteit: geen sport, geen salon — alles is gericht op praktische zelfverdediging, in een tijd waarin de wandelstok (en parasol!) nog alledaagse accessoires waren.