[
[
[

]
]
]

Waar is de ziel van de Westerse krijgskunst gebleven?

Over bugei, budō, competitie en een asymmetrie die niemand verwachtte.

De paradox

Wie een beetje thuis is in de vechtkunstwereld kent het beeld: Oosterse krijgskunsten dragen een filosofische, bijna religieuze lading — de Weg, de discipline, de vorming van karakter. Westerse vechtsporten daarentegen worden grotendeels in twee hokjes gestopt: sport óf zelfverdediging. Niks dō, niks geestelijke verdieping.

Alleen… kendo is extreem competitief. Judo was vanaf het begin een wedstrijdsport. De shiai (toernooi) is geen bijzaak in het Japanse budō, maar vaak de motor ervan. Er zit dus een contradictie in het beeld dat we onszelf vertellen: als competitie en spiritualiteit in Japan zo goed samengaan, waarom zou het Westen ze dan wel moeten missen?

De vraag is dan terecht: waar is het filosofische en spirituele aspect gebleven van de Westerse krijgskunsten?

Het korte antwoord: het is niet verdwenen. Het is verhuisd. En de tegenstelling Oost = spiritueel, West = competitief is grotendeels een projectie van de twintigste eeuw. Om dat te zien moeten we eerst naar de woorden zelf kijken.

Bugei, bujutsu, budō: drie woorden, drie werelden

In Martial Arts and the Body Politic in Meiji Japan valt Denis Gainty een detail op dat op het eerste gezicht verwaarloosbaar lijkt: de inleiding van Ozawa’s methode gebruikt het woord bugei (武芸) in plaats van budō (武道). Voor de moderne lezer is bugei een vreemde eend in de bijt — we kennen budō en bujutsu, maar bugei klinkt archaïsch. Toch was bugei juist dè standaardterm voor de vechtkunsten, van de Edoperiode tot ver in de Meijiperiode. Het standaard naslagwerk over de klassieke Japanse scholen heet dan ook Bugei Ryūha Daijiten — de “Grote encyclopedie van de bugei-scholen” (1969).

Lijst van ryuha

Enkele van de vele vermelde scholen zijn: (in alfabetische volgorde)

*Bufu Ryu
*Isshin-ryu kusarigamajutsu
*Gikan Ryu
*Gyokko Ryu
*Jigen Ryū
*Kukishin Ryu
*Kumogakure Ryu
*Koto Ryu
*Kyushin Ryu
*Mino Ryū
*Mugai Ryū
*Musō Shinden-ryū
*Musō Jikiden Eishin-ryū
*Sekiguchi Shinshin-ryū
*Shinden Fudo Ryu
*Suio Ryu Iai Kenpo
*Takagi Yoshin Ryu
*Togakure Ryu
* Tomo Ryu
*Tenshin Shōden Katori Shintō-ryū
*Toyama-ryu
*Yagyū Shinkage Ryū

De drie karakters vertellen elk hun eigen verhaal:

  • 武芸 bugei — gei (芸) betekent kunst, vaardigheid, ambacht (hetzelfde teken als in geisha). De vechtkunst als vak: iets wat je onderwijst, leert en beheerst.
  • 武術 bujutsu — jutsu (術) betekent techniek, methode. De praktische, functionele gevechtskant: kenjutsu, jūjutsu, sōjutsu.
  • 武道 budō — dō (道) betekent de Weg, met een moreel-geestelijke dimensie. Karaktervorming, zelfontplooiing, bijna religieuze toewijding.

Hier zit de kern van de zaak: toen Mishima en Ozawa schreven, was budō nog geen geïdeologiseerde term. De twee verdienen even een korte introductie: Ozawa was een Meiji-pedagoog die het bujutsu tot schoolgymnastiek wilde ombouwen — stok, zwaard, speer en naginata als rekwisieten voor lichaamsoefening, niet als gevechtsmiddelen — en Mishima schreef het voorwoord bij die methode. Mannen van de turnzaal dus, niet van de tempel.

De parallel met Jacob Happel dringt zich hier op. Ook de Antwerpse turnmeester gebruikte de stok in zijn turnmethode primair als turnwerktuig: de Kreisen-oefeningen uit zijn handleiding komen rechtstreeks uit de Turnen-traditie, waarin het stokgebruik allang als gymnastiek gold en het schermen eraan gekoppeld was. Ozawa en Happel — een halve wereld van elkaar verwijderd, maar beiden opgeleid in dezelfde gymnestische revolutie die Duitsland en Japan in de negentiende eeuw doormaakten — deden in wezen hetzelfde: het wapen ontmantelen tot pedagogisch gereedschap. Gainty leest de keuze voor bugei dan ook als een historisch signaal: dit is geen “allesomvattende Weg” in dienst van de staat, maar een kunstvak, educatief en onschuldig. Ozawa’s curriculum past daar volledig in — stok, zwaard, speer en naginata werden bij hem behandeld als rekwisieten voor lichaamsoefening, niet als gevechtsmiddelen.

1919: het jaar waarin de ziel erin werd gestopt

Wanneer werd budō dan wél de dragende, spirituele term? Het kantelpunt is verbazingwekkend recent. In 1882 doopte Kanō Jigorō zijn kunst judo, als modern alternatief voor jūjutsu. In 1895 richtte de Dai Nippon Butoku Kai (Groot-Japanse Vereniging voor Krijgshaftige Deugd) in Kyoto de moderne krijgskunstorganisatie op, met grote toernooien en spektakels.

En in 1919 gebeurde het: Nishikubo Hiromichi, vicevoorzitter van de Butokukai, liet de Bujutsu Senmon Gakkō (vakschool voor krijgstechnieken) omdopen tot Budō Senmon Gakkō (vakschool voor krijgswegen). Bujutsu leek hem te veel op louter fysieke techniek; budō dekte de geestelijke discipline en de band met bushidō beter. Die laatste term verdient een korte uitleg: bushidō (武士道, “de weg van de krijger”) is de geïdealiseerde gedragscode van de samoerai — loyaliteit, eer, plichtsbesef, zelfbeheersing tot in de dood. Maar ook hier geldt: de “eeuwenoude erecode” is grotendeels een moderne retropolatie. Het woord duikt pas echt op in Tokugawa-teksten zoals de Hagakure (1716), en wereldberoemd werd het via Nitobe Inazō’s Bushido: The Soul of Japan (1899) — een boek dat de krijgerscode netjes in westerse deugden vertaalde voor een westers publiek. In de jaren dertig maakte de staatspropaganda van bushidō vervolgens een keizerlijke plichtenleer. Nishikubo’s voorkeur voor budō was dus geen nostalgisch gebaar, maar een bewuste aankoppeling aan dat ideologische project. Vanaf dat moment verspreidde die keuze zich door heel Japan — met in de jaren twintig en dertig een steeds sterkere nationalistische bijklank, tot budō tijdens de oorlog volledig verweven was met de staatsideologie. Na 1945 werd de term geruimd, ontdaan van zijn oorlogs baggage, en is hij de officiële categorie geworden die we nu kennen.

Kortom: de “eeuwenoude spirituele traditie” van de Oosterse krijgskunst is voor een flink deel een moderne constructie, precies een eeuw oud. De spiritualiteit werd er in 1919 bewust ingestopt — van bovenaf, door een instituut. Dat verklaart meteen de contradictie: kendo is competitief én spiritueel omdat het zo ontworpen is. De wedstrijd is de smeedkuip; de Weg is de ideologische koepel.

Ironisch genoeg wees Karl Friday er al op dat de nette driedeling (bugei = kunstvak, bujutsu = praktisch, budō = spiritueel) die wij in het Westen zo netjes hanteren, grotendeels een latere rationalisatie is: in het Japan van vóór 1900 werden de termen gewoon door elkaar gebruikt. Sánchez-García bevestigt dit in The Historical Sociology of Japanese Martial Arts: op zeldzame uitzonderingen na vond de differentiatie tussen dō en jutsu pas tijdens de Meiji-restauratie plaats, en de volledige terminologische omslag kwam pas in de Taishō-periode — grotendeels dankzij het werk van de Dai Nippon Butokukai.

Het Westen had zijn eigen budō — onder andere namen

Als de spirituele lading van het Japanse budō een moderne uitvinding is, dan wordt de vraag interessant: wat had het Westen vóór die tijd? Want het antwoord is: minstens evenveel.

De ridderlijke geest

Pierre de Coubertin, de grondlegger van de moderne Olympische Spelen, sprak over fair play consequent als esprit chevaleresque — de ridderlijke geest. En hij wilde de sport expliciet funderen als religio athletae, een “philosophico-religious doctrine”, een nieuwe humanistische religie voor de twintigste eeuw. De Olympische beweging is dus in essentie een poging om aan de westerse lichaamscultuur een geestelijke, bijna liturgische dimensie te geven — complete met rituelen, vlaggen en eden.

Schermen als wijsbegeerte

De Spaanse Verdadera Destreza ging nog verder. Het grondleggende traktaat van Jerónimo Sánchez de Carranza (1569) heet letterlijk De la Filosofia de las Armas — “Over de filosofie van de wapens”. Scholastieke filosofie, meetkunde en christelijke ethiek in één schermmethode. Wie de Spaanse rapiertraditie leest, leest geen “vechtsport”: het is een pedagogisch-filosofisch systeem waarin het zwaard het instrument is van zelfkennis.

Ook de Franse en Italiaanse salongeschiedenis ademde die geest: la nobile arte, de elegantie, de eer van de schermer, de codex van het duel. Dat is functioneel gezien precies wat het Japanse dō ook is: een ethische omkadering die de techniek overstijgt.

Turnen als karaktervorming

En dan is er Friedrich Ludwig Jahn, de Turnvater. Zijn Turnen was in de negentiende eeuw geen sport maar een vormingsideaal: lichaamsoefening als hoeksteen van volkskracht, karakter en nationale identiteit (Volkstum). De turnplaats was een school van deugd. In België liep die lijn via Segers en Isenbaert naar de Antwerpse turnmeester en schermleraar Jacob Happel (1833–1916) — over wie ik op dit blog al eerder schreef. Happels turnmethode bevatte muziek en zang: lichamelijke opvoeding als holistische vorming van lichaam én geest, van kind tot mens. Dat is geen “vechtsport”, dat is pedagogiek met een ziel.

Muscular Christianity

In Engeland en de VS kreeg de lichaamscultuur zelfs een expliciet religieuze lading: Muscular Christianity. Charles Kingsley formuleerde het zo: “games conduce, not merely to physical, but to moral health.” Uit die beweging groeiden de YMCA, de universiteitssport en de Boy Scouts — kanalen waarin het morele vormingsideaal van de lichaamscultuur is terechtgekomen.

From Ritual to Record: waar de geest naartoe ging

Waarom voelen we dit vandaag dan helemaal niet meer? De sportwetenschapper Allen Guttmann heeft het klassieke antwoord gegeven in From Ritual to Record (1978). De moderne sport, zegt hij, wordt gekenmerkt door zeven kenmerken: secularisering, gelijkheid van kansen, specialisatie, rationalisering, bureaucratisering, kwantificering en recordjacht. Kort door de bocht: het sacrale verhuisde naar het profane of het alledaagse. De eer van het duel maakte plaats voor de tafel van de scheidsrechter; de deugd van de turnplaats maakte plaats voor de competitie ruimte.

En nu wordt het patroon zichtbaar. In precies dezelfde decennia waarin Japan het sacrale ín zijn krijgskunsten injecteerde (vanaf 1919, staatsgestuurd), onttoverde het Westen zijn eigen vechtkunsten. Schermen en la canne werden rond 1900 gesportificeerd — denk aan de Charlemont-hervorming van 1899 en de latere canne fédérale. De eer-cultuur van het duel stierf af. De morele vorming emigreerde naar Olympisme, scouting en kerkelijke jeugdbewegingen.

Twee culturen, twee moderniseringsprojecten, tegengestelde richtingen van het sacrale. Japan trok de ziel naar de krijgskunst toe; het Westen duwde ze eruit.

De ultieme testcase: aikidō en Tomiki

Geen kunst illustreert dit patroon beter dan aikidō — en geen figuur beter dan Tomiki Kenji. Na de oorlog werd aikidō opnieuw uitgevonden als “kunst van de vrede”: Kisshomaru Ueshiba, zoon van de stichter, richtte in 1948 de Aikikai Foundation op en presenteerde zijn vaders kunst wereldwijd als pacifistische weg. Aikidō werd zo hét symbool van de “spirituele” Oosterse krijgskunst — in de woorden van Sánchez-García een discipline uit de gendai budō die toch aan de klassieke krijgswaarden verbonden bleef. Dat Ueshiba’s kunst vóór de oorlog verweven was met de Ōmoto-sekte, ultranationalistische kringen en de militaire academies van Mantsjoerije, werd in dat verhaal netjes weggepoetst.

En dan komt Tomiki. Leerling van zowel Kanō als Ueshiba, en sinds 1949 docent aan het Institute of Physical Education van de Waseda Universiteit, ontwikkelde hij een competitieve, sportachtige aikidō. Zijn opzet was expliciet: aikidō “moderniseren” zoals Kanō het oude jūjutsu had gemoderniseerd — met randori en toernooi, in twee modaliteiten: lege hand en hand tegen rubberen mes. Precies de verwestering die dit artikel beschrijft: gymnastisch én competitief.

De reactie van de aikidōwereld spreekt boekdelen. Door de frontale tegenstelling tussen traditioneel aikidō en de sportbenadering kreeg Tomiki’s versie geen enkele steun van de aikidōwereld, en de verspreiding in het buitenland bleef beperkt tot landen als Engeland, Australië en de Verenigde Staten. Het is dezelfde traditionalistische reflex die Gōjū ryū-karate decennialang van competitie weerhield: wedstrijd zou “de kunst bederven”. De kunst van de vrede bleek paradoxaal genoeg het strengst in het bewaken van zijn spirituele puurheid — tegen precies dat element, de shiai, waarvoor het Japanse budō oorspronkelijk was opgebouwd.

Als beoefenaar van Tomiki Aikido sta ik dus zelf in de frontlinie van dit spanningsveld: de traditie die de “weg” het nadrukkelijkst claimt, is ook de traditie die de sportieve modernisering van Kenji Tomiki het hardst heeft verstoten.

Twee stoksystemen, één conclusie

Wie dit blog volgt, weet dat ik de Japanse stok- en gymnastiektradities vergelijk met de Westerse: jōdō & tanjo-jutsu naast la canne, Tomiki’s Judo Taiso naast de Europese gymnastische stokmethoden. En juist daar wordt de ironie mooi.

Toen Happel in Antwerpen muziek in zijn turnlessen verwerkte en Charlemont in Parijs de canne hervormde, nam Japan massaal de westerse lichamelijke opvoeding over: het Zweedse en Duitse gymnastieksysteem werd de basis van het Japanse schoononderwijs. Tomiki Kenji’s Judo Taiso (1954) — judoprincipes omgezet in een gymnastische oefenmethode, sinds 1952 onderdeel van de lichamelijke opvoeding aan de Waseda Universiteit — is het eindpunt van die lijn. Ozawa’s methode, waarmee dit artikel begon, staat aan het begin ervan: wapens als turnmateriaal.

Oost en West zijn dus niet tegengestelde polen die elkaar eeuwig aankijken. Ze zijn naar elkaar toe bewogen — alleen vanaf tegenovergestelde kanten, en elk met een andere naam voor de ziel.

De volgende keer dat iemand zegt dat de Oosterse krijgskunst “spiritueel” is en de westerse “gewoon sport”, weet je dus: het verschil zit niet in de tradities, maar in wat de twintigste eeuw er respectievelijk mee deed. De ziel van de westerse krijgskunst is niet dood — ze woont alleen op een ander adres.


Bronnen